Deze website wordt niet langer ondersteund in Internet Explorer. Update hier je browser voor een betere ervaring.

Dit is geen dagboek

'Hier meten ze alles met stokbroden. De Eiffeltoren is 528,5 baguettes hoog.'
Door Marieke Rijneveld op 14 feb 2018
Tekst
Literatuur & taal
Schrijfresidentie Parijs
© Marianne Hommersom

Tijdens onze schrijfresidentie in Parijs in 2014 schreef Marieke Rijneveld géén dagboek. In drie delen volgen we haar wonderlijke avonturen en observaties in de stad die haar overweldigt en opslokt, maar waarin ze zich ook een thuis maakt.

Dit is geen dagboek I

 

Als haviken zitten ze op de bank, bij iedere aanval of doelpunt van Nederland buigen ze zich naar voren. In de laatste minuten sluipen er een paar uit de kelder van huize Biermans-Lapôtre weg. Maar de vloer plakt, en als bij een jarige die je smeekt om nog even te blijven, vertrekt niemand onopgemerkt. Ik denk niet aan Nederland maar aan Parijs waar ik vanmiddag aankwam met twintig andere kunstenaars in het residentiehuis. Het huis heeft ook zonder ons geheimen, je ziet de muren in de feestzalen oren en monden worden, je nazeggen als je alleen en hardop praat. Ik ben voor het eerst in Parijs en ik zal haar ontvangen zoals mijn tante haar gasten ontvangt in haar beste zetel bij het keukenraam met aan de rand een spotje geklemd om alle kanten van de mens te belichten, om de paar minuten reikt ze met een frituurtangetje een koekje aan met de vraag wat het nu wel of niet taai maakt. Laat de stad maar binnen.

 

Huize Biermans-Lapôtre heeft zes verdiepingen met op iedere etage tientallen kamers waar sommige kunstenaars al twee jaar in afzondering wonen en werken. Naast die woon- en werkruimtes zijn er keukens waar achtergebleven pannen en potten staan van de vorige bewoners, plastic zeven met nog wat macaroniresten erin. Op het aanrecht een roestig blik maïs, stapels lege pizzadozen tegen de muur, een vertrapte avocado op de grond. Een sliertje spaghetti bungelt aan een tegeltje, verloren gegaan bij het testen van de gaarheid. Het ruikt er naar schoolkamp. Op de afzuigkap plakt een sticker met daarop ‘l’Union fait la force’: samenwerking geeft kracht. Als ik het opzoek krijg ik een website van een handboogschietvereniging uit Roosendaal.

 

Het Berlijnse appartement, een half jaar geleden, kon je afstemmen op het type kunstenaar dat je was. Er stond zelfs een kartonnen doos met schilderijen voor als de werken aan de muur je niet bevielen. In de badkamer had je een washandje waar je mobiel precies inpaste, om Chopin droog te houden. Even hoop ik dat de kamer weet welk type gast hij dit keer zal ontvangen, dat de muren in noppenfolie veranderen om mij heel te houden. Tegen de muur van kamernummer 437 staat een bleek weggetrokken bed, en aan de andere kant een antieke werktafel met houten poten als hoeven, open kastjes erop in de vorm van een kop. Een paard. Het stelt me gerust. Meubels waar je niets in kunt herkennen jagen me angst aan, dan kun je alleen maar gaan zitten en hopen dat zitten tot werken leidt. Om de hoek zit de badkamer die de hele dag door luidruchtig ademt. Maar zodra je de deuren en ramen sluit, is het enige wat je hoort het stadsgezoem, het verkeer dat als houtworm in de muren is getrokken. De twee ramen in de kamer bieden uitzicht op Parc Montsouris en op een ander fors residentiehuis. Later hoor ik dat op dit terrein wel twintig residentiehuizen staan en dat je eigenlijk alleen maar goed moet ademhalen om werk te kunnen verzetten, dat het hier creativiteit waait.

 

Ik pak mijn tas uit. Ieder voorwerp krijgt een plek, een thuis. Overal waar ik kom, draag ik mijn ouderlijk huis in restjes mee. Hier in de grootste stad van Europa zal ik de komende twee weken een gast blijven, hoe vaak ik ook de slingers ververs, de afwas zal doen, mijn voet tussen de liftdeuren plant. Na het inrichten van de ruimte ga ik samen met een Vlaamse vrouw uit de groep naar een biologische supermarkt een straat verderop. De enige die nog open is op zondagavond. Het is een klein winkeltje waar je eerst verwelkomd wordt door een zwerm fruitvliegjes, daarna door een Fransman met een rood keukenschort. Steeds loopt hij langs zijn kisten met groente, streelt ze even met één wijsvinger als hij denkt dat niemand kijkt. Ik koop een tomaat, eitjes, twee bananen en een half stokbrood. Ik probeer klanken in de Franse taal van elkaar te onderscheiden en ze te onthouden. Op schoolkamp had een groepje kinderen een eigen communicatiemanier ontwikkeld. Achteraf bleek dat het omgekeerde alfabet te zijn.

 

Buiten op de trappen van het huis maakt de fotograaf een staatsieportret van de groep. Na de foto worden we losgelaten. Sommigen vluchten naar kroegen om zich daar als katjes te laten aanhalen en voeren. Anderen bakken een omelet met tomaat en sturen een berichtje naar het thuisfront, vallen in slaap. Ze zitten de hele nacht in een vluchtauto, scheuren kriskras door een vreemd land zonder lantaarnpalen, de neus in de vacht van hun knuffel verstopt.

Illustratie © Marieke Rijneveld

Dit is geen dagboek II

 

In de metro denk ik aan mijn eerste mobieltje met het spelletje Snake. Steeds sneller bewoog de slang, die langer en langer werd, over het beeldscherm; zodra je de zijkanten raakte was je af. Dood. Dat verwacht ik nu ieder moment in de metro die bulderende geluiden maakt, zich in bochten wringt die niet te voorzien zijn. Tl-buizen flikkeren, tassen schuiven onrustig heen en weer op hun plek, kunnen maar niet de juiste zitvorm vinden. Het maakt me bang. Hard kunnen rennen zal nu geen zin hebben. Iemands aftershave legt voor het effect nog even een strop om mijn nek. Ik glimlach geruststellend naar een meneer. Hij glimlacht niet terug, het was ook meer voor mezelf bedoeld.

 

Op mijn rechterschoen zit een klodder duivenpoep, vast opgelopen bij de Notre-Dame waar de duiven zich ontpopten tot gehaaide bedelaars. Voor een kruimel doen ze alles. Een meisje in een zomerjurk liet ze met stukjes van haar crêpe Nutella op haar hoofd en handen landen. Een straaltje chocolade liep over haar voorhoofd. Fotografen legden haar vanuit iedere hoek vast. In Parijs herinneren ze je er overal aan dat je dit niet zomaar mag vergeten, niet voorbij mag laten gaan: leg het vast, koop een ansichtkaart. Ik stuur er eentje naar mijn tante die twee weken in een slaapzak bij de klep van de brievenbus op de deurmat ligt. Een thermoskan met koffie ernaast, de Visie opengeslagen op de pagina met kantelpunten in iemands leven. Wachtend op mijn met de hand geschreven groetjes zodat ze er zeker van is dat ik nog in leven ben.

 

De deuren schuiven open, de metroslang laat mij uit zijn buik. Het sist me zachtjes na: Angsthaas, angsthaas, angsthaas. Ik kijk niet om. Tante zou nu over een goed gesprek beginnen, over hoe je dat moet voeren. Als er bezoek komt, laat ze de deksel van de koekjestrommel op een kiertje openstaan. Legt de frituurtang in de magnetron.
‘Het is het vocht,’ zeggen de gasten.
‘Het is de afkomst. De vorm van het blik. Het bakpoeder.’
‘Nee,’ zegt mijn tante, ‘het is de wereld. Niemand blijft krokant.’
Sommigen weten niet dat ze gebruik mogen maken van een plaspauze. Er is een hulplijn maar daar moet je de regels voor kennen. En die staan op een blaadje en het blaadje zit in de Bijbel. Tussen Genesis en Exodus in.

 

Ik loop langs de Seine. Een forse vrouw in een zwart, glimmend motorpak staat bij de waterkant, in haar rechterhand houdt ze een appelpunt vast. Haar ogen verscholen achter twee donkere glazen. Een paar meter verderop staat haar tegenvoeter: een meneer zo grijs als de straten met zijn rug in een hoek van negentig graden gebogen, een onverwachtse haarspeldbocht: van een teveel aan tegenwind trekt je rug krom. In zijn hand een plastic verjaardagsbekertje. Er zitten een paar ééncentmunten in die met elkaar nog lang niet rinkelen. Naast hem ligt een herdershond met net zo’n gebogen rug. Stil. Misschien heeft zijn baasje aan het begin van de dag gezegd: lig, ga dood. Om zo nog meer medelijden te wekken, en als de toeristen van het decor zijn afgevallen, knipt hij vast met zijn vingers, dartelt de hond weer vrolijk rond, zoals honden dat kunnen. Hij draagt dezelfde zwarte hoed als mijn tante tussen de koeien. Zonder die hoed nemen de koeien haar niet serieus, produceren ze minder melk. In Parijs staat het hoofddeksel net zo goed voor herkenning want hoe vaker je dezelfde bedelaar ziet, hoe eerder je iets geeft. Sommigen gebruiken hem daarnaast voor het geld, anderen als asbak voor de stompjes van gevonden peuken. De gebogen man probeert er zijn naaktheid mee te verbergen. Ik vraag mij af waarom ik trager loop, in een rouwstoetpas. Omdat ik me schaam? Omdat ook ik niets zal geven? Niemand kijkt echt naar hem, ze zien alleen het water in de verte om naartoe te gaan. Ik voel mij net de motorvrouw met de appelpunt.

 

In een vreemde stad veranderen tragische mensen in souvenirs. In je hoofd is daar speciaal een vensterbankje voor geplaatst, zo draag je diegenen altijd met je mee, overal waar je naartoe gaat of terugkomt.

 

Voor het eerst zie ik het ijzeren cliché, de kerstpiek van Parijs, de Eiffeltoren. Ik ga eronder staan als een echte toerist met de camera in de hand om de ontmoeting vast te leggen. Kinderen ter grootte van een stokbrood worden omhoog gehouden door vaderarmen. Even groot, roepen ze. Hier meten ze alles met stokbroden. De Eiffeltoren is 528,5 baguettes hoog. Op de verschillende verdiepingen zie je mensen als zilverfiguurtjes over de relingen hangen, zwaaiend naar niemand in het bijzonder. Vier zelfmoorden per jaar. Ook dat publiek trekt de Eiffeltoren aan maar voornamelijk geliefden, gelukkig de geliefden. Op Wikipedia las ik dat ooit, voordat ze de netten plaatsten, een vrouw de sprong overleefde doordat ze op het dak van een auto viel. Toen ze hersteld was, trouwde ze met de eigenaar van de lichtgroene Daf.

 

In de avond wordt huize Biermans-Lapôtre gevuld door pianomuziek, ruiken de gangen naar havermoutpannenkoekjes. Ik maak een nestje in mijn kussen voor mijn hoofd en denk aan vandaag: want wie legt vanavond de bedelaar te slapen, wie aait er de hond?

 

Dit is geen dagboek III

 

De straten zijn hier net mikadostokjes, steeds wanneer ik ze even aangeraakt heb, lijken ze te verschuiven waardoor ik ze de keer daarop niet terug kan vinden, mijn kans verspeeld is. In Parijs kun je verdwalen zonder echt de weg kwijt te raken. Zo veel verloren mensen op één plek en niemand die je om zijn moeder hoort roepen als een lammetje in een kudde dat de verschillende soorten wol niet meer van elkaar kan onderscheiden, bij iedere vreemde een glas melk krijgt aangeboden. Het schept een band om niet de enige te zijn die zoekt. Na twee keer de weg vragen en zes verkeerde straten, kom ik eindelijk uit bij de kerk Saint-Germain-des-Prés. Op de trappen zit een oudere man met een cavia aan een visdraadje. Prachtig beeld. Ze gebruiken hier alles om het medelijden van de toerist te wekken. Zoals mijn tante dat vaak probeert door de hele dag ovenwanten te dragen.

 

Twee dagen geleden belde ze om naar het weer te vragen en dat ze naar Parijs zou komen om haar nieuwe ovenwanten te laten zien. Zebraprintje. En ja, mijn ansichtkaart had ze ontvangen maar ze vond de S en de K niet met mijn handschrift overeenkomen (van tevoren heb ik deze op moeten schrijven op een servetje met daarop kruimels van een croissantje waardoor de pen af en toe haperde. Vandaar).

 

Gemis is dat wat we niet als redenen aan kunnen wijzen voor een vertrek, zoals gebroken servies nu eenmaal een gevolg is van een val: zo simpel zouden we dat niet kunnen maken, dus gieten we het in de vorm van een ovenwant. Het is ook een manier om te laten zien dat mijn tante weer last heeft van de reuma die in haar vingers is getrokken. Ze draagt de ovenwanten de hele dag, zonder dat het ook maar iets met cake bakken te maken heeft, of met een lasagneovenschotel. Inmiddels weet iedereen in de familie dat ze dan een vraag verwacht over het proces van het krommen van haar vingers, waarom ze naar binnen groeien en niet naar buiten. Het zal niet lang meer duren voordat iemand anders de koeien moet melken, zij aan de zijlijn met gebalde vuisten klaar om toe te springen als een straaltje melk in de plastic emmer niet het juiste geluid produceert.

 

En nu staat ze hier op het plein voor de kerk in haar statige grijze zondagsjas met een grote en een kleine koffer in haar handen. In het kleine koffertje zou je een duur sierraad verwachten, maar het blijkt haar zilveren frituurtang te zijn die zo hard blinkt dat ik de koffer snel weer dichtklap. Ze heeft hem ingesmeerd met uiervet. Nergens gaat ze heen zonder haar show.

 

Bij het bord met de Vivaldiposter staan we tegenover elkaar. Nu weten we wat we moeten doen maar gisteren twijfelden we of we elkaar moesten omhelzen, of daar een vanzelfsprekendheid in zou zitten waardoor we daarna niet onze ogen op de straatstenen hoefden te richten, en als zij haar hand weer uitsteekt met de ovenwant eraan, pak ik hem aan en schud hem zachtjes alsof we dit al jaren zo doen. Hoe ontmoet je iemand die je nog nooit eerder hebt ontmoet, die er altijd al is geweest? Ze is er al vanaf mijn geboorte toen mijn ouders het moment bezegelden met een fles wijn; iets wat ze later bij ieder moment nodig vonden: bij de overgang van dag naar nacht, van buiten naar binnen, een doekje over de stoffige tv halen, de krant lezen, iemand telefonisch te woord staan. Al gauw lagen er meer lege flessen bij het afval dan luiers.

Het begint te regenen. Mannen komen uit supermarkten met kartonnen dozen van Nutella over hun hoofden. Hun vrouwen volgen op een meter afstand. Achter mijn tante aan loop ik de kerk binnen. Midden in het gangpad staan we stil. Een jongetje van een jaar of tien zit voorover gebogen op een stoel alsof hij zoveel zonden heeft dat hij naar beneden wordt gedrukt, zijn hoofd alleen nog maar laag bij de grond kan blijven. In Parijs krijgen daardoor de meeste mensen een kromme rug. Een andere reden is dat hun moeders hun geleerd hebben om altijd alert te zijn op eventuele stuivers tussen de straatstenen. In Nederland zie ik zelden een meneer of mevrouw met een rug negentig graden gebogen. Opvallend.

 

'Hij is gewatteerd,' zegt ze. De ovenwanten vallen op bij haar jas. Ze draagt haar hoed, misschien hoopt ze dat hier ook koeien zijn, dat iemand haar tenminste herkent want een boerin pik je er zo uit. Er kleeft mest met een paar strohalmpjes aan haar laarzen.
'Reuma?' Even kijkt ze opgelucht. Ze was vast bang dat ik er niet naar zou vragen, dat ze daar dan in haar eentje zou zitten met haar kromme vingers als uilenklauwen.
'Het gaat, het gaat. Je moet ermee leren vliegen.' Ik knik meelevend en til haar koffers op, zet ze tussen de kerkbanken en schuif naast tante. Vannacht sliep ze in een hotel maar daar vond ze het kussen net een liksteen. Loeihard. Het is een vreemd vooruitzicht om haar straks op een oud matras naast mij in huize Biermans-Lapôtre te slapen te leggen, haar gesnurk niet langer door het behang te kunnen trekken en als ik bang ben niet langer meer op haar deur te hoeven kloppen met de smoes dat er volgens mij een koe moet jongen, terwijl er geen enkele drachtig is. Met een zaklamp in haar hand zou ze dan uit bed klimmen en alle hoeken van mijn kamer verlichten.
'Geen koe.' Ze herhaalde het steevast vijf keer.
'Oh nee,' zei ik dan, 'de stier komt pas over een maand.' En we glimlachten zonder de daadwerkelijke reden van mijn inbraak in haar slaap te benoemen. Soms haalde ze in de keuken een glas melk voor me dat ik in één keer leeg moest drinken. Als ik dan in de ochtend ontwaakte zat mijn mond aan de binnenkant van mijn nachtjapon geplakt, aangekoekte melkresten, nachtelijke angsten die overdag geslonken waren als spinazie in de pan: je vergist je steeds weer in de grootte. In de hoeveelheid ervan.

 

Mijn tante heeft nog negen kinderen, maar het zijn niet haar eigen kinderen. We zijn haar kleinkinderen en we noemen haar dan ook tante. Soms vergist iemand zich en noemt haar per ongeluk moeder, en dan moet je bij haar komen, pakt ze de frituurtang uit zijn doosje en klemt je neus tussen de zilveren poten. Nooit hard genoeg, en toch gillen we voor het effect even kort en hoog. Dat stelt haar ook gerust in haar opvoedkundige benadering, streng maar rechtvaardig. Haar eigen zonen en dochters ziet ze één keer in het jaar op de zomerbarbecue in de achtertuin tussen de koolzaadplanten waar we ons beleefd om een statafel verzamelen, als bijen rond een glaasje cola. Ieder kind heeft zijn eigen statafel. Er prijkt een kartonnetje op met je naam zodat je ouders weten dat ze daarheen moeten, niet aan het verkeerde kind vragen hoe het leven staat, dat zou beschamend zijn. De laatste keer dat ik mijn ouders zag, hadden ze een hondje gekocht. Arm beest.
‘Missen je,’ zei mijn vader.
‘Ja,’ zei mijn moeder, ‘kom je snel terug?’
‘Als de hond groen ziet, ben ik er weer.’
Stralend keken ze elkaar aan en herhaalden met dubbele tongen: ‘Als de hond groen ziet komt ze weer, als de hond ...’

 

*

 

Uit haar koffertje haalt mijn tante een ingedeukte koekjestrommel met engeltjesmotief. Even legt ze haar hand erop. Spanning opbouwen gaat in laagjes als bij een slagroomtaart, zonder die verdiepingen willen mensen niet meer jarig zijn, zijn ze te snel bij de bodem, klapperen lepeltjes allemaal tegelijk op de witte schoteltjes, zou niemand meer de jarige kunnen feliciteren, Happy Birthday inzetten op een valse gitaar.
‘Hoe keer je straks terug van zoiets groots,’ vraagt mijn tante. Voor ons zit een mevrouw met een rugzak in de vorm van een kikker. Om de paar seconden kijkt ze achterom, bolt ze haar wangen even kwaadaardig maar zegt niets. Ik buig me naar tante toe en fluister in haar oor: als een kruimelkoekje dat op breken staat, een zandtaartje dat nog uren tussen je tanden blijft knarsen. Het komt door de wereld. Tante schudt haar hoofd, duwt opstandig haar boezem vooruit die als twee gerimpelde sinaasappels in een te strak netje uitpuilt boven de rand van het truitje. Je ziet het door de opengevallen jas, de zijpanden als gordijnen. Het is de show.
‘Fout,’ zegt ze. ‘Dit is geen koek. Het is cake en cake is nooit krokant geweest, het waren de ouders.’
Ze opent de koekjestrommel en steekt haar hand met de ovenwand erin. Drie pogingen voordat ze een plakje te pakken heeft. Ik denk aan de kermis Foire du Trône waar we gisteren na haar aankomst in haar oude Daf met daarachter de veekar samen heen gingen.

 

We hadden uren over het terrein gestruind. Aan het eind van de avond was ik in vijf attracties geweest, had zij met een graaimachine een knuffel gewonnen en vijf suikerspinnen op om haar angst voor mijn einde in zo’n monster te onderdrukken. Alleen in de rups ging ze mee. Bij iedere beweging die een bocht forceerde, gilde ze in stukjes het Onzevader in mijn oor. Onderweg naar huize Biermans-Lapôtre gaf ze me een plakkerig handje, reed ze weg met de veekar die alle kanten uitzwabberde als een dronken toerist. In bed voelde ik nog steeds haar kleverige vingers tussen de mijne, als een kleefhandje van een kind bij het reuzenrad. Het sloeg er steeds mee op de rug van zijn moeder waar het even bleef hangen, een vette vlek op haar jack achterliet. Het rendierknuffelbeest lag stijfjes naast me. Hij rook naar knalerwten.

 

*

 

‘Natuurlijk, de ouders. Gelukkig heb ik jou,’ zeg ik.
‘Geen andere tante ontmoet?’
Ik schud mijn hoofd en kijk toe hoe ze een plak cake ongezien in haar mond probeert te stoppen. Van geruststellingen krijgt ze honger.
‘Fijn,’ zegt ze met volle mond.
‘Nog drie nachtjes.’
‘De koeien missen je.’
‘Ik mis de koeien.’

 

Als we even later de kerk uitlopen, legt ze een plakje cake aan de voeten van de man met de cavia. Hij glimlacht breed. Hij denkt vast dat het een gouden plakkaat is.

 

*

 

Voordat we gaan slapen doet ze haar ovenwanten uit en legt ze naast haar hoofdkussen. Buiten toeteren auto’s, verlicht de Eiffeltoren willekeurige buurten, slaapkamerramen van onbekenden.
‘Ik kwam niet alleen om mijn ovenwanten te showen,’ zegt mijn tante. Vanuit mijn bed kijk ik op haar neer, ze heeft haar hoed nog steeds op. Ik heb haar één keer zonder hoed gezien. Het was op de dag dat ik voorgoed bij haar introk. Het stormde zoals het vaak op dat soort dagen stormt, alsof de dag wist dat hij zwart omrand in mijn hoofd gebeiteld zou worden. Mijn moeder had me even geaaid als een omgekeerde manier van zwaaien. Zo voelde het ook, alsof ze de afstand wegwuifde: tot later, het ga je goed, doe de groetjes aan kind 96 en 15 (we dragen allemaal een geel neknummer van dode koeien om onze halzen, tante is nooit goed geweest in namen). Toen we naar de auto liepen, was tantes hoed even boven haar hoofd gaan zweven. Lange grijze lokken dansten uitbundig in het rond als meisjes die te snel oud waren geworden, die erachter kwamen dat ze te veel gemist hadden, het in wilde halen.

 

Omdat er maar één deken in het vertrek ligt, slaap ik nu onder twee kaarten van Parijs. Jardin du Luxembourg steekt in mijn teen. Na een nachtje zo te slapen moet je toch niet meer kunnen verdwalen.
‘De zomerbarbecue gaat niet door, de bijzettafels blijven dit jaar in de schuur,’ zegt ze. Ik zucht opgelucht. Kon de aaiende vingers, die naar wodka ruiken, al langs mijn wang voelen. Ze ruiken nu ook vaak naar hond. Ik weet niet wat ik erger vind.
‘Ik blijf een tijdje in Parijs, heb wat gehoord over macarons, wat ze nu wel of niet taai maakt. Waar ligt het verschil?’

 


 

Meer weten over het residentieproject van deBuren!
Benieuwd wat de medereizigers van Marieke schreven in Parijs?

 

Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

 

Deze tekst was eerder te lezen op De Revisor.

 

Vertel het verder: