Waarom Sirène niet in Winnipeg kon blijven (1/4)

Geschreven door Saskia de Coster op 16 maart 2010

Iedere zondag, zonder mankeren, bakt Sirène, de nicht  van mijn grootmoeder, muffins voor heel Winnipeg. Mijn grootmoeder kan niet geloven waar haar nicht de energie haalt. Uit die muffins misschien? Mijn grootmoeder is een hevige fan van haar overzeese nicht. In 1945, Sirène was toen twintig, propte die haar twee rokken en vier witte hemdjes in een kartonnen valiesje en trok met haar kersverse man, een jongen die ze zelf nog uit de handen van de Duitsers had gerukt, van Duinkerke naar Churchill, de meest noordelijke haven van Canada.  Ontelbare keren heb ik het verhaal van de heldhaftige Sirène gehoord.

Een Canadese oudstrijder die nog in de schuur van Sirènes ouders had mogen schuilen tegen bommen en vreselijke luitenanten, bood Sirène en haar beminde echtgenoot de kans van hun leven. De oudstrijder had een neus voor zaken en voorspelde dat Churchill de nieuwe toeristische hotspot van Canada zou worden. Alleen daar kon je nog het echte leven opsnuiven, alleen daar woonden nog Eskimo’s die zich iedere avond insmeerden met walvissenvet om niet in hun iglo vast te vriezen, alleen daar, ver weg van de grote Canadese steden, kon een Canadees nog een echte Canadees zijn, volledig ingepakt in  dierenvellen. Zoals elke gewiekste zakenman wilde hij op voorhand, voor de grote toestroom, stevig investeren. Als je wacht, kom je te laat en grijp je naast het grote geld. Beladen met zijn eretekens die zijn uitgesproken  moed hem had opgeleverd, zocht en vond hij voldoende geld en startte de bouw van  een exclusief panoramarestaurant met zicht op de haven en de ijsberen van Hudson’s Bay. Sirène en haar man konden die dan uitbaten. Het geld zou als sneeuw uit de lucht komen vallen.

Het jonge koppel werd samen oud in het enige restaurant van Churchill, maar nooit rijk. Zestig jaar lang hebben ze samen hamburgers geflipt, kaas gegrild en muffins geglaceerd voor de vijf nog mobiele dorpsbewoners van Churchill en de twee treinbestuurders die instonden voor de levenslijn van Winnipeg naar Churchill. De verhoopte hordes verhongerde toeristen en Japanners trokken liever naar het oude Europa dan naar de gure sneeuwlandschappen waar Sirène geduldig op hen wachtte.  Het wonderlijke aan Sirène was niet alleen dat ze tussendoor ook nog vijf prachtige kinderen grootbracht maar dat ze àltijd haar glimlach heeft bewaard. Voor mijn grootmoeder is haar nicht een heilige die op gelijke hoogte met de paus staat. Toen Sirènes man tien jaar geleden stierf, hebben haar kinderen haar tegen haar zin voor de eerste en de laatste keer op de trein naar Winnipeg gezet om er te blijven. Geen enkele bejaarde overleeft de eindeloze treinreis  Winnipeg-Churchill een tweede keer. Sirène zelf had liever in Churchill willen blijven, dichtbij de herinneringen aan haar man die daar zijn vastgevroren. En dat kan mijn grootmoeder maar al te goed begrijpen, ha ja, dat schaap Sirène, geef haar eens ongelijk. En nu zit Sirène dus al jaren in Winnipeg met de moed der wanhoop muffins te bakken. Mijn grootmoeder kan haar nicht niet meer bezoeken, maar ik wel.

Zodra ik geland ben in Winnipeg, raarnamige stad in het hart van de merkwaardige provincie Manitoba, stap ik met mijn drie jassen aan in een taxi. Die baant zich een weg door de met sneeuw overladen straten waar auto’s voorrang hebben op alles, vooral op rolstoelen en kinderwagens. Kordaat rijden we door de verlaten straten naar mijn bestemming, Prosper Street 36. Vanachter zijn sjaal mompelt de Indische taxichauffeur: “No good, no good, them bears. 50 dollars, please.” Het ijzeren hek voor Sirènes houten huisje is opengeplooid, de deur gewoonweg doorgetrapt. In het huis hangt nog steeds de geur van muffins, maar verder is er geen spoor van Sirène. De afwas staat netjes op haar te wachten in het afwasrek. Ik neem mijn gsm en bel naar een van haar zonen maar de lijn gaat niet over.

Iedere stad heeft zijn ongeschreven regels. Die van Winnipeg heeft mijn grootmoeder me ingepeperd, systematisch, mijn hele leven lang, omdat ze wist dat ik hier ooit terecht zou komen om met eigen ogen vast te stellen dat ze gelijk had toen ze zei:

Dat de stad wetteloos wordt zodra de sneeuw begint te vallen. Dat je kan spookrijden, botsautootje spelen, door het rood rijden terwijl de politie toekijkt;

Dat een keurig Winnipegs meisje nooit, ik herhaal, nooit, ook niet in een noodgeval, wandelt maar altijd met de wagen rijdt;

Dat je illegaal afval mag dumpen, al dan niet radioactief, maar dat het dumpen van sneeuw zwaar wordt beboet;

Dat je je stamboom moet kennen en moet weten hoeveel procent Europees bloed er door je aders stroomt en dat je vervolgens best een levenslange lidkaart koopt van een Belgische, Oekraïnse, Ijslandse of Filipijnse stamboomclub;

Dat je nooit maar dan ook nooit, op straffe van wurging, de Jets mag vernoemen, de Winnipegse hockeyploeg die al jaren niet meer meespeelt omdat ze geen geld hebben en dat is pijnlijk en zeeeerrrr vals;

Enzoverder enzovoort.

Eens op dreef gaat mijn grootmoeder gewoon eindeloos door.

Op straat, ingepakt als een ijsbeer, wil ik aan de eerste de beste voorbijganger vragen of hij het mythische fort Sirène niet voorbij heeft zien schrijden. Maar er zijn geen voorbijgangers. Enkel zware stappen achter mij, alsof de ijsbeer wiens kleren ik gestolen heb, mij op de hielen zit. Ik draai mijn thermisch ingepakte ik om maar er is niemand te zien, alleen eindeloos wit, een hele stad ondergesneeuwd. Opeens schiet een schaduw langs me heen, naar de overkant van de brede Portage boulevard. Als twee wielen van een wagen houden we gelijke tred. We zetten er stevig de pas in en op precies hetzelfde moment versnellen we, tot ik moet opgeven en de schaduw nog net een muziekwinkel zie binnenvliegen. Ik wil de enige levende ziel van Winnipeg naar binnen volgen. Met één detail heb ik echter geen rekening gehouden: Winnipeg is een donker huis dat in het midden van de winter staat en zijn ingangen vaardig verstopt voor de koude en voor buitenstaanders. Binnen wordt er druk geleefd – de ondergrondse oversteekplaatsen, drive-through geldautomaten en de skywalks van mall naar mall bewijzen het. Buiten heeft een Winnipegger niets te zoeken behalve een bloedneus door de ijzige wind.

In de onwetendheid van mijn eerste dag op een andere planeet blijf ik buiten rondzweven, tot een schaduw plots over mij valt.

‘He, ik ben Winnie, ik heb over je komst gehoord,’ zegt de specht zo groot als een mens. En ze beveelt: ‘Amuseer je!’ Winnie neemt een hinkstapsprong en vliegt alweer weg met de afgeprijsde soundtrack van een wintersymfonie onder de rode vleugels geklemd.

In tegenstelling tot in Europa hebben dieren het hier wel vaker voor het zeggen. En aangezien niemand uit het dierenrijk een sneeuwschup op zijn aangezicht of aan zijn poten heeft gekregen, moeten de mensen het sneeuwruimen voor hun rekening nemen. Een oud mannetje in een bontjas staat met alle overgebleven kracht in zijn lijf een berg sneeuw van de stoep te borstelen.

‘De North End vermijden,’ heeft mijn grootmoeder mij altijd op het hart gedrukt wanneer ze mij als kleine uk meesleepte op haar denkbeeldige zondagse wandeling door Winnipeg. Dus ga ik nu eindelijk naar de North End, de buurt van Winnipeg waar vandaag de indianen leven en vechten met de demonen van een grootstad. De Cree zijn een van die zeldzame volkeren ter wereld die al zo ver staan in de evolutie dat ze het matriarchaat aanhangen. Een rondhangende Cree indianenvrouw spreekt mij dadelijk aan bij mijn dierennaam: ‘He bitch.’

‘He bitch,’ echo ik.

‘Ik ben Lexi,’ zegt de vrouw, ‘en ik zie dat jij op de dool bent. Wel, ik ook. Kom mij even gezelschap houden.’

‘Ik zoek het monument van Winnipeg, het zwaartepunt,’ antwoord ik haar, ‘je kent haar vast, de nicht van mijn grootmoeder: Sirène.’

‘Hmm, niet dadelijk,’ zegt Lexi, ‘maar ik heb niet veel contact met white-ass grannies. Vette kans dat ze bij het meer van Gimli zit te overwinteren. Kom, à la mer! Ik neem je mee. Maar laten we eerst voor aangepaste kledij zorgen.’ Ze troont mij mee naar haar huis, een houten cabin gevuld met dierenschedels, halloweenkaartjes, dekens, postuurtjes, tinnen bekers. Binnenshuis schoppen Winnipeggers hun logge laarzen uit, rukken ze de mutsen, wanten, oorverwarmers en drinkbidons van hun lijf en huppelen dan in bikini en tanga rond. Strippen maakt hier deel uit van het dagelijkse leven. Lexi trekt prompt haar kleren uit en blijft strippen tot ik zie dat de natuur van haar geen vrouw heeft gemaakt maar een transseksuele zeemeermin, met opgepompte borsten en een lange staart. In grote letters staat het woord BITCH onuitwisbaar op haar buik getatoeëerd.

‘Ik droom ervan een bitch te worden,’ legt ze uit wanneer ze open en bloot buiten loopt, ‘maar ik ben nog aan het sparen.’

Lees vanaf morgen deel twee, waarin de heldin van deze geschiedenis afdaalt naar de bodem van een bevroren meer en het verhaal over de moeder van alle zeedieren verneemt.

www.saskiadecoster.com