Vingeroefeningen

Geschreven door Albert Verbeek op 2 juli 2012

Gistermiddag arriveerde ik met veertien jonge Vlaamse en Nederlandse kunstenaars, journalisten en wetenschappers in het huis van La Fondation Biermans-Lapôtre. We zijn hier in Parijs bijeen om in opdracht van het Vlaams-Nederlands huis deBuren te schrijven over de grootstad. (Lees meer over het project.)

Hoewel het laat werd tijdens onze eerste gezamenlijke avond, ben ik al vroeg wakker. Nog geen internet en geen zin om eropuit te gaan. Ik klap mijn MacBook open.

Bestaat er een warming up als voorbereiding op het schrijfproces? Sporters hebben het makkelijk. Voorafgaand aan de match mogen ze zo fris als een hoentje dan wel rufterig en katerig uit- en inlopen, opdrukken en aftrainen. Musici oefenen voor een concert hun toonladders, spelen behoedzaam het bloed naar de vingers en de juiste klanken in hun gehoor. Allemaal concrete bezigheden. Maar wat doe je voordat je gaat schrijven?

Een bekende anekdote uit de popgeschiedenis is dat Paul McCartney het nummer Yesterday had gedroomd. Hij werd wakker, floot de melodie en speelde de akkoorden, ook de woorden kwamen vanzelf. Het kon niet anders dan dat dit nummer al bestond, zo dacht McCartney. Maar Yesterday bestond nog niet, althans het was nog nooit door een mens gezongen, opgenomen en uitgevoerd. Een hit werd geboren.

Vandaag begin ik met schrijven over gisteren, bij wijze van warming up, zonder de illusie dat het een hit wordt.

Ik ben meermaals in Parijs geweest, ditmaal was de encounter totaal anders. Ten eerste omdat ik niet met mijn vriendin was, maar alleen én in een groep. Ten tweede omdat we niet de metro pakten, maar meteen een fiets gingen huren.

Je steekt je creditcard in een parkeermeterachtige paal en in ruil voor honderdvijftig euro borg en nog geen tientje huur (voor 7 dagen!) krijg je een bonnetje met een lang nummer en mag je zelf een pincode bedenken (Nog één…) Met die nummers – zonder nummers zijn we niemanden, clochards  – kan je overal in Parijs een publieke fiets, un vélib, pakken.

Na een half uurtje hannesen bij een automaat had eenieder van ons subgroepje – we waren met vijf – een fiets.

Vanaf het XIVe, Gentilly, knalden we richting centrum. Mijn fiets liep aan, de versnelling was matig afgesteld en mijn zadel zakte meteen omlaag zodat ik maar op de pedalen ging staan alsof ik weer op mijn oude bmx’je zat. Het gaf allemaal niets, we zoefden over harddonker asfalt, trilden over glanzende kasseien, geen oog voor bijzondere mensen of mooie gebouwen, enkel oog voor la rue. We hadden hoogstwaarschijnlijk meer gezien als we rustig met de metro waren gegaan, maar dat gaf ook niks, we fietsten, vrij en onverveerd.

Op naar de EK-finale, Spanje-Italië.

Om acht uur ontmoetten we de andere subgroep op het Centre Pompidou. We kozen voor de eerste de beste Irish Pub met een paar tv’s. Spaanse winst zou me koud laten, wel zag ik graag de Italianen verliezen. Verlies zou de Italianen meer pijn doen dan de Spanjaarden, les Azzurri zouden dieper en met grotere gebaren lijden, hun beroofde blikken zouden intenser en doordringender zijn. Het verlies van de Italianen zou beter drama opleveren, hun tragiek zou esthetischer zijn. De ware schoonheid van de sport, de esthetiek, zit ‘m in het verlies.

Enfin. Zo’n beetje al de Biermans Parijsgangers waren inmiddels naar de Irish Pub getogen alwaar we ons zondagse ‘mondgeld’ in pressions omzetten. (deBuren is zo genereus geweest om alle Parijsgangers dagelijks te belonen met zeven pressions zakgeld.) We rookten wat aan een tafeltje buiten, gehuld in gelig licht. Net toen ik had bedacht dat ons verplaatsen absoluut onnodig zou zijn, kwam een enthousiasteling op het lumineuze idee om ons te verplaatsen.

La Bastille.

Daar had je volop clubs en kroegen volgens de barman. Ik was daar wel eens geweest, beetje Leidsepleinachtig, niet echt mijn ding, maar goed, je past je aan. Lopen duurde natuurlijk langer dan gedacht. Ik raakte achterop met Tim en verliet ook hem omdat ik dringend op zoek moest naar een openbaar toilet dat ik na wat dwarsstraten afstruinen godzijdank vond, vlakbij een oude kerk.

Daarna pinde ik weer een fiets en keerde verwonderlijk snel terug bij de kopgroep. Er was net gebeld door het enige lid van la derrière de la course: Tim zat nog steeds ergens – Rue de Nogwat – op een paaltje op mij te wachten, terwijl ik dacht dat hij door zou lopen en ik later zou komen.

Dus ik Tim halen. Samen gingen we terug op één publieke fiets. Hij zat voorop het zadel en moest trappen, ik zat achterop het zadel en moest sturen. Gezien de geringe afmetingen van het zadel kwam ik tot de conclusie dat we allebei een klein kontje hadden. Het moet er romantisch hebben uitgezien, hij bottom met zijn rossig gekrulde kuif onder een wijnrode pet, ik top met mijn flappen sluik donker haar onder een witte hoed, samen op één publieke fiets, bezeten trappend om de groep niet uit het oog te verliezen, als de dood voor de bezemwagen.

We vonden de groep aan de rand van Place de la Bastille. Terwijl ik en drie andere mannen daar op het groene licht wachtten om de reuzenrotonde over te steken, renden de vrouwen en Tim ineens de trap af, de metro in.

Als opgejaagde hazen schoten ze ervandoor.

Zoef. Trippeltrapperderap.

Geen overleg, geen het was gezellig, geen tot ziens, geen we zijn moe en gaan naar bed, geen afscheid.

Groexit.

Ik was verbijsterd.

Nu, vandaag, begrijp ik gisteren. Een aantal individuen was ineens in de draaikolk van een groep beland en snakte naar een exit. We hadden de warming up vergeten. Vandaag beginnen we opnieuw, maar nu rustig aan, schrede voor schrede, met vingeroefeningen als deze.

(In Parijs concentreer ik me op een reportage over les musiciens du métro. Tussendoor schrijf ik af en toe een weblog, gesponsord door Sultana.)

www.albertverbeek.nl

Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.