Museumtoer: Teylers Museum in Haarlem

Geschreven door Julie Reniers op 13 mei 2014


deBuren stuurde twee jonge schrijfsters naar interessante musea over de grens. Hun opdracht? Vertel ons waarom je dit museum wel of niet moet bezoeken.
Emy Koopman ging naar Vlaanderen, Julie Reniers bezocht Nederland.
Lees meer »

 

© Kees Hageman
Teylers Museum © Kees Hageman


Alles willen weten

Hoe verder je naar het noorden gaat, hoe korter de bomen en hoe langer de mensen worden – zo zou ik de Europese geografie samenvatten. Nederland is een beetje een overgangsland op dat vlak. Een klassiek gitariste, ingeweken vanuit het koude Litouwen, vertelde me eens dat ze zich daar tenminste normaal voelt, in Brussel heeft ze de indruk voortdurend boven iedereen uit te torenen.

Maar de bomen lijken niet bepaald gekrompen, hier in Haarlem. De huizen daarentegen zijn wel een maat kleiner dan thuis. Het is hoe dan ook de ideale plek om onze subjectieve stelling aan waarheid te toetsen. Haarlem mag dan wel oer-Hollands zijn, enkelen van zijn inwoners hadden ooit de ambitie er de kennis van de hele wereld onder te brengen.

Teylers Museum ligt aan een bocht van het Spaarne, de rivier die het stadje van zuid naar noord in tweeën deelt. Het museum is trots op zijn status als oudste van Nederland, de neoclassicistische voorgevel met zuilen, fronton en koepel steekt sterk af tegen de overheersende Haarlemmer architectuur – de typisch Hollandse rijtjeshuisjes met hun grote rechthoekramen en hoge driehoekige dakstuk.

Het museum draagt de naam van de achttiende-eeuwse zakenman Pieter Teyler Van der Hulst, maar weinig van wat er binnen staat werd door hem samengebracht. Zoals een bankier betaamt, verzamelde hij zelf voornamelijk penningen en munten. Bij zijn dood liet hij zijn hele vermogen na aan een Stichting die bestond uit vijf van zijn vrienden, ten dienste van de wetenschap. En met dat bedrag, dat vandaag zo'n tachtig miljoen euro zou zijn, bouwden zij een Zaal, en vulden die vervolgens ook. Met – alles.

Het Teylergenootschap wilde de idealen van de Verlichting naar Hollands Haarlem brengen. Hun eerste aankoop was de volledige Encyclopédie van Diderot en d'Alembert, waarmee ze in één klap zowat de volledige westerse kennis van hun tijd in huis haalden. En wat voor tijd! Ze balanceerden op de verrukkelijke grens tussen het religieuze obscurantisme van de voorbije eeuwen en de hyperspecialisatie die de wetenschappelijke vooruitgang van vandaag kenmerkt – alles was interessant, er was nog zoveel te ontdekken, en dat gingen ze doen ook, de hele wereld begrijpen. Alle onderzoek ging uiteindelijk over wetenschap én kunst én god. Dus stouwden ze hun zalen vol met fossielen, mineralen, mooie wetenschappelijke instrumenten, werk van Rembrandt en Frans Hals, telescopen in alle soorten en maten, een uitgebreide bibliotheek van boeken waarin wetenschappelijke traktaten als vanzelfsprekend naast artistieke illustraties staan.

De eerste zaal die ze lieten ontwerpen en bouwen kreeg een revolutionaire ovale vorm. In tegenstelling tot de ruimte van een kerk heeft deze geen duidelijke voor- of achterkant; het licht dat door de koepel in het dak naar binnen valt schijnt op iedereen even sterk, wij zijn allen in staat de wereld te kennen, te begrijpen. Tegelijk braken ze zich in dit pre-Darwintijdperk het hoofd over hun fossielencollectie en het mysterie van de uitgestorven dieren. Zoals het skelet van de mosasaurus, dat een paar decennia eerder opgegraven was nabij Maastricht. Was het een krokodil – maar hoe kwam die dan in Nederland terecht – en eigenlijk leek het niet eens echt op een krokodil – Verklaring! de zondvloed, die de soorten die niet op Noachs ark mochten van de aarde veegde.
Veel hebbedingetjes ook: de grootste mammoetschedel buiten Rusland gevonden. Het eentonig grijze stukje steen dat tussen de schitterende mineralenverzameling in de vitrines van de Ovale Zaal ligt: het topje van de Mont Blanc, meegebracht door de eerste expeditie ernaartoe – en vanaf dat moment eigenlijk niet meer het topje van de Mont Blanc. Of nog de grootste ‘bliksemmachine' ooit gebouwd, een enorm instrument dat een halve zaal in beslag neemt en waar Napoleon persoonlijk naar kwam kijken. Het gevaarte kan een indrukwekkende hoeveelheid statische elektriciteit produceren, genoeg om een koe te elektrocuteren. Maar behalve spektakel leverde de machine weinig op, het was wachten op de ontdekkingen van Volt(a) totdat elektriciteit ook geleid kon worden.

De opvolgers van de vijf vrienden van Pieter Teyler, en hun opvolgers, en de mensen na hen – het Teylergenootschap bestaat tot de dag van vandaag – vulden nog enkele zalen met dit soort net-niet-uitvindingen. De phonautograaf, een machine bedoeld om geluid te bewaren en voorloper van Edisons fonograaf (die het opgenomen geluid ook opnieuw kon afspelen), glazen laboratoriumdingen om onbestaand ‘warmtegas' te onderzoeken, de harmonograaf, de polarisatiemicroscoop. Meten is weten, en dat meten gebeurde in ellen, Rijnlandse voeten, slingertijden, meters, met een paar dozijn verschillende instrumenten.

‘Hier zijn we dan, ka-kel-tje-vers!' Ik ben amper bekomen van deze aankondiging die samen met mijn glas appelsiensap (excuus – jus d'orange) arriveert, wanneer de ober alweer aan ons tafeltje staat met de tweede helft van de bestelling. ‘Nou! Wie gaat er soepen?'

Aan het eind van de dag weet ik nog steeds niet of het noorden mensen daadwerkelijk meer laat groeien, of de nabijheid van de Noordpool hen al dan niet uitrekt. Ik weet wel dat galvanometers magnetisme meten, dat ooit het chemische element ‘flogiston' verzonnen werd om brandbaarheid te verklaren, dat eind achttiende eeuw voor een werk van de mij onbekende Van Huysum ruim tien keer zoveel betaald werd als voor een Rembrandt. En dat geld geen doel, geen noodzaak op zich kan zijn, maar niet meer dan een opstapje naar kennis & kunst hoort te wezen. Dat die twee elkaar aanvullen. Dat de tijd van de seriële huis-, tuin- en keukenuitvinders misschien wel achter ons ligt, maar dat de geschiedenis nooit af is, dat we niet kunnen berusten. Dat we erop moeten letten in ons hoofd kakeltjevers te blijven.

 

 

Julie Reniers (1987) woont, werkt en schrijft meestal in Brussel. Ervoor deed ze dat in Gent, Olomouc en Tbilisi. In 2012 resideerde ze op uitnodiging van deBuren en de Stichting Biermans-Lapôtre in Parijs. Het resultaat hiervan is het kortverhaal Noachs Ark dat verscheen op hard//hoofd en deburen.eu. 

 

 

 

!!! WIN !!!

deBuren mag 10 duotickets voor Teylers Museum en 10 catalogi cadeau geven!
Mail voor 22 mei 2014 'Teylers' naar info@deburen.eu en maak kans op twee gratis tickets en een tegoedbon voor een catalogus. Vermeld in uw bericht duidelijk uw naam en adres.

 

Teylers Museum, Spaarne 16, 2011 CH Haarlem, Nederland
www.teylersmuseum.eu

 

Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.