Tes op de golf

Geschreven door Baptiste Erpicum op 10 december 2014

Baptiste Erpicum © Marianne HommersomDe residentie in Parijs inspireerde Baptiste Erpicum tot een verhaal over een jonge surrealistische kunstenares die in de jaren '50 haar kans waagt in de lichtstad. 'Onderweg verdwaalde ik, maar het was prettig om op goed geluk door een onbekende stad te lopen, zonder iemand die ergens op je wacht.'


Vertaald uit het Frans door Kim Andringa.
Lees de originele Franse tekst hier.

 

Dat jaar stapte ik aan het einde van de zomer met andere reizigers in de trein naar Parijs. Ik ging zitten op een vrije plaats, tegen de rijrichting in, en gedurende de reis keek ik door het raam naar het landschap dat in de verte verdween: de huizen van Brussel waren steeds dunner gezaaid, werden piepklein, en werden ten slotte door de horizon aan het zicht onttrokken. Ervoor in de plaats kwam een vlakte bedekt met oogstgewassen, en weilanden. Het begon te regenen. Opgezweept door de wind sloegen de druppels tegen de ramen. Ze rekten zich uit tot kralensnoeren, die van de voorkant naar de achterkant van de wagon liepen. Het regende heel hard. Ik vouwde de aanbevelingsbrief van professor Beauregard open, en herlas een passage die ik al uit mijn hoofd kende.

'Toen ik tekenen doceerde aan de Kunstacademie in Brussel, trok Thérèse Dumont mijn aandacht door de kwaliteit van haar werk en haar uiterst persoonlijke visie op de dingen. Haar onmiskenbare kunstzinnigheid en haar uitgesproken smaak voor schilderen zijn mij bijgebleven. Nadat zij haar studie had voltooid, sprak zij de wens uit een artistieke carrière te beginnen in Parijs. Ik moedigde haar aan dit plan ten uitvoer te brengen, overtuigd als ik was dat haar talent tot ontplooiing zou kunnen komen in de nabijheid van kunstenaars die weigeren hun creativiteit op te offeren aan de voorstelling van de zichtbare werkelijkheid.'

In Parijs aangekomen was de bui voorbij. Je zag de zon in de plassen weerspiegelen. Ik pakte het tweede papier dat professor Beauregard me had gegeven, een stadsplattegrond waarop een hotel was aangegeven waar ik een paar dagen zou kunnen verblijven. Onderweg verdwaalde ik, maar het was prettig om op goed geluk door een onbekende stad te lopen, zonder iemand die ergens op je wacht. Toen het laat werd, vroeg ik de weg aan een zeer elegant paar. De man wees me beleefd waar ik moest zijn. Zijn vrouw wenste me succes, en zwaaide met haar zwaarberingde hand. Hun blikken volgden me, tot de hoek van de straat. Ze vroegen zich ongetwijfeld af wat ik daar deed, helemaal alleen in Parijs, met mijn slecht sluitende koffer.

Toen ik het hotel eindelijk gevonden had, bleek het duurder dan ik had gedacht. De receptionist vertrouwde me toe dat zijn tante een kamer verhuurde in de buurt van Montmartre. Ik denk dat hij me aardig vond. Hij belde zijn tante en maakte een afspraak. Hij vertelde me dat zijn tante klein van stuk was, en spierwit haar had. Dankzij zijn beschrijving vond ik haar, moeiteloos, aan de voet van een appartementengebouw in de Rue Lamarck. Ze opende de deur, en ik hoorde de mechanische klik van het slot. Ze klom voor me uit de trap op, naar de zevende verdieping, onder het dak. Alle moderne gemakken ontbraken in de kamer. Er was geen water, geen verwarming, geen elektriciteit. Maar hij had absoluut charme. Als je je hoofd uit het dakraampje stak, kon je de Sacré-Coeur zien staan op de top van Montmartre, en de kinderen die zich naar beneden lieten glijden langs de reling van de trappen op de hellingen van de heuvel. Ik zei tegen de dame met het witte haar dat ik de kamer nam. Ze vroeg me om een maand huur vooruit te betalen. Dat kostte me al mijn spaargeld. Ik moest aan de slag.

De volgende morgen viel de zon door het dakraampje van mijn nieuwe kamer, en omlijstte mijn gezicht op het kussen. Geprikkeld door het licht opende ik mijn ogen, en zei bij mezelf dat het een bijzonder aangename nacht was geweest. Ik ging de kamer uit om een teiltje met kraanwater te vullen. Ik waste me, en inspecteerde vervolgens in een klein spiegeltje hoe ik eruit zag. Men zei vaak tegen me dat ik een mooi meisje was. Ik had de blauwe, langgerekte ogen van mijn vader geërfd. Dat was de enige herinnering die ik aan hem bewaarde. Ik legde het spiegeltje terug en trok mijn mooiste kleren aan, dezelfde die ik aanhad bij mijn aankomst in Parijs – een crèmekleurige jurk met een ronde kraag, die mijn halsaanzet bloot liet, en bruine schoenen met platte hakken. Zonder ontbeten te hebben haastte ik me de trappen van het gebouw af, vloog de heuvel van Montmartre af, stak de Seine over, daarna de boulevard Saint-Germain, en kwam aan bij de ateliers in de Rue du Cherche-Midi.

Professor Beauregard had me gezegd dat ik daar de schilder Jean Marembert zou vinden. De aanbevelingsbrief van mijn oude docent was voor hem. Ik drukte het papier stevig aan mijn borst. Mijn hart klopte als een bezetene. Schilders en beeldhouwers, in groepjes van twee of drie, kwamen en gingen bij het gebouw met de grote ramen. Ze zagen er indrukwekkend uit in hun werkjassen vol verf- of kleivlekken. Ik sloop het gebouw binnen, tegelijk met een luidruchtig lachende groep jonge kunstenaars.

De beeldhouwers werkten op de begane grond, in een gigantische ruimte overgoten door daglicht. De zonnestralen kwamen binnen door de ramen en ook door een daklicht. Langs een smeedijzeren trap waarvan onder het stof de geverniste treden blonken ging ik naar de eerste verdieping. Ik kwam uit op een gaanderij met een lege ruimte in het midden. Over de reling keek ik naar de beeldhouwers, die blokken klei bevochtigden en op brokken steen hamerden. Langs de galerij lopend ontdekte ik de schildersateliers, slechts door glazen wanden van elkaar gescheiden, en toen ik een schilder op de rug keek die een groot, donker doek aan het retoucheren was waarop een naakte vrouw lag uitgestrekt met boven zich het welwillende masker van de dood, wist ik dat ik Jean Marembert had gevonden. Hij voelde mijn blik op zich rusten en keerde zich om. Ik dacht dat hij me zou overstelpen met verwijten omdat ik hem in zijn werk gestoord had. Maar hij trok zijn gefronste wenkbrauwen op tot ze twee eigenaardige dakjes vormden. Hij deed de deur van zijn atelier voor me open. Ik reikte hem de aanbevelingsbrief van professor Beauregard aan.

‘Wat is dat allemaal? Alstublieft, jongedame, gaat u zitten!’

Ik kon niets vinden dat op een stoel leek, dus ging ik maar zitten op een stapel dekens en vuile lappen die bij de ingang lag. Jean Marembert las de brief, vouwde hem op en stak hem in de zak van zijn schort. Hij zei niets en ging weer aan het werk. De huid van de naakte vrouw was bijna licht doorlatend. Ze stak af tegen de blauwe, heel donkere achtergrond. Toen de schilder met koortsachtige penseelstreken haar blik had aangezet, leek ze niet langer bang voor de dood die, boven haar hurkend, op haar wachtte. Jean Marembert nam afstand om zijn werk te bekijken. Hij liet tevreden een langgerekt geknor horen, en herinnerde zich toen dat ik bij de ingang zat te wachten.

‘Komt u morgen maar terug, jongedame. Dan kunt u zich in die hoek van mijn atelier installeren.’

De volgende dag stelde Jean Marembert me eerst voor aan de kunstenaars met wie hij het glazen gebouw aan de Rue du Cherche-Midi deelde. Vervolgens gaf hij me penselen, een palet en verf, en droeg me op me los te maken van de omstandigheden van alledag. Ik schilderde een vrouw met een wassen gezicht. Haar ogen stonden wijd open en haar ineengedraaide haar vormde vage en onduidelijke kronkels die overgingen in wijdvertakte steden, oprijzend tot aan de randen van het doek. Jean Marembert zei tegen me dat er wel iets in zat.

‘Volg je verbeelding, meisje. Dan zul je een surrealistische schilder worden, een echte, die een scherp licht werpt op de intuïtie van een wereld die men niet meer in staat is te zien.’

Van het begin van de herfst tot het eind van de winter werkte ik elke dag, zonder ophouden. Als ik een schilderij afhad, liet ik het op de terugweg achter bij een galeriehouder op de Place du Tertre. ’s Avonds at ik in een café bij mij op de hoek. Een lantaarn wierp een oranje schijnsel op de gevel. De deur piepte, en je zolen plakten aan de tegelvloer. Meestal gaf de uitbater me een kom soep te eten, met een stuk brood. Ik hoefde maar zelden te betalen. Als tegenprestatie vertelde ik de klanten dat hij zo terug zou komen, terwijl hij eigenlijk naar zijn maîtresse ging of vrienden opzocht. Ik zorgde ook voor zijn hond, die heel braaf was. Zijn vacht was zwart en glanzend. Ik streelde hem vaak. Hij legde zijn kop op mijn bovenbeen en kwijlde, om te laten zien dat de genegenheid wederzijds was. Ik ging vroeg naar bed. Ik kroop onder drie dekens, tegen de kou, en keek door het dakraampje van mijn kamer naar de sterren voor ik in slaap viel.

Aan het begin van het voorjaar nodigde de galeriehouder bij wie ik mijn doeken afgaf me uit in het hokje achter in zijn galerie op de Place du Tertre. Hij dook in zijn papieren. Ik zag zijn schedel glanzen in het licht van een gaslamp. Hij berekende dat hij veertien van mijn schilderijen had verkocht, in zes maanden, terwijl ik hem er zeker twee keer zoveel had gebracht. Hij concludeerde dat hij mijn nieuwe doeken niet tentoon zou kunnen stellen, zolang hij de andere, die al in zijn opslag stonden opgestapeld, niet kwijt was. Ten afscheid drukte hij me een bruine enveloppe in de hand. Er zaten een paar bankbiljetten in. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om de achterstallige huur te voldoen en ook de rekeningen die ik her en der in de stad had openstaan. Daarna besloot ik om voortaan op zaterdag vrij te nemen om te proberen mijn schilderijen zelf te verkopen. Ik liet mijn werk zien op de Place du Tertre en in alle cafés op Montmartre. Op een van die dagen liep ik Cora Manuski tegen het lijf, een jonge schilderes die ook op straat probeerde te verkopen. Cora bekeek mijn werk en zei tegen me dat het vol poëzie zat. Ik legde haar uit dat het een hijskraanpaard en een lantaarnpaalvrouw waren. Ze moest hard lachen, en beloofde me dat we goede vriendinnen zouden worden.

‘Hebben we het niet goed, Tessie? Ik word warm vanbinnen als ik eraan denk dat wij, jij en ik samen, klaar staan om ze eens te laten zien wie we zijn.’

Cora was voor geen kleintje vervaard. Terwijl zij met haar brutale geklets klanten probeerde te trekken, stond ik er zwijgend bij, en knipperde verlegen met mijn wimpers. Op die manier slaagden we erin elk een doek te verkopen aan een Engelse toerist. Om ons succes te vieren, nam Cora me mee naar de cafés van Montparnasse. Dichters droegen er op tafel staand hun teksten voor. Er werd geklonken, bij elke toost op het bohemiensbestaan. Cora ging aan de bar twee coupes champagne halen, en reikte me er een aan. Ik nipte eraan, en ontdekte het gevoel van fijne belletjes die prikten op mijn tong. Ik zei tegen Cora dat ik wilde dat dit moment eeuwig zou duren. Ze glimlachte. Toen barstte ze in lachen uit.

‘Wij surfen op de top van een hoge, geweldige golf, die op het punt staat Parijs mee te sleuren in een surrealistische maalstroom!’

Ik werd wakker met lichte hoofdpijn. Onmiddellijk keek ik uit het raam. Ik zag geen enkel spoor van de golf die Parijs in een surrealistische maalstroom meegesleept zou moeten hebben. Integendeel, de stad maakte een weerzinwekkende, koude en concrete indruk, obsceen haast. Haar grijze flats strekten zich uit onder een dikke laag donkere wolken, en gaven zich over aan het bestaan. De aanblik maakte me misselijk. Ik liep bij het raam vandaan en ging weer in mijn stoel zitten, midden in mijn appartement, op de zeventiende verdieping van een flat aan de Rue de la Convention, in het vijftiende arrondissement van Parijs. Op het bijzettafeltje stond een kop koffie met melk, koud, ernaast een punt aardbeientaart, en een sigaret was helemaal opgebrand in de asbak die op de armleuning stond. De as hing nog als versteend aan de peuk en vormde een mineraal ogende cilinder, die toen ik erop blies in een groot aantal grijze deeltjes uiteenvloog en zich in de lucht verspreidde. Moeizaam stond ik op en zocht in mijn boekenkast naar het gedicht dat Cora voor me had geschreven, zestig jaar eerder. Ik vond het terug tussen twee klassiekers uit de Pléiade-collectie.

Zittend in mijn leunstoel sloot ik mijn ogen, en zei bij mezelf dat, ook al restte er niets van wat het betekend had te leven in het Parijs van rond 1955, er toch dat gedicht was, met een paar van mijn schilderijen, het hijskraanpaard en de lantaarnpaalvrouw, en de kunst in het algemeen, om getuigenis af te leggen van onze ‘geschiedenis’, de mijne, die van Cora, die van een hele generatie die haar energie tot rijpheid zag komen in een lange, schitterende fonkeling. Voor ik in slaap viel, keek ik weer uit het raam. Het begon te regenen. Ik dacht de vloedlijn te zien, dat ruimte-tijdcontinuüm waar de surrealistische golf uiteindelijk breekt en vervolgens omslaat, maar misschien was dat al in mijn droom.

‘Zand in de ogen, de slikker open,
Het braille-alfabet in de knuisten, hij met z’n kleine
Bek. Hij zit op de voorste rij.
Op de piste, de man van veder en gewicht
En zijn gevolg.
Zijn gevolg; de verkenner, de in werking
steller, de vroedmeesterpad
Het is een hele optocht.
Stroopsoldaatjes en nepneuzen, zie ze elkaar naaien, overtollen,
Hoogdraven, keuvelen, aanmatigen … Ze kwadrateren de cirkel,
Driehoeken het niets, ze praten over kleur en transcendenties
Ze raten over goud en in de gauwigheid met de welbekende
schroom …
Bloeien troop en opgeblazenheid, klapt hij met z’n kleine
bek, Daar is onze Tes aan de orde van de dag:
Ze wordt bekend gemaakt met de standpunten van,
Ze krijgt kennis aan de ismen
Ze wordt geperst tussen wikken en wegen
Ze wordt in gissingen verloren
En met de hulp van de hak op de tak
Verliezen ze haar verliezen ze zich
Raken ze haar kwijt tussen waken en slapen
Raken ze haar voorgoed kwijt.
Maar ergens, buiten de ruimte-tijdvergelijking
Bestaat Tes in haar levenslucht. Ze is vrij, ontastbaar
Ze is Tes, ze lacht in de wolken, tegen de maan, tegen haar
Hijskraanpaard, haar lantaarnpaalvrouw.’

 


foto Baptiste © Marianne Hommersom

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Baptiste schreven in Parijs? Klik hier.


Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

Volg hoofdpersoon Tes naar het Salon des Indépendents in de andere tekst die Baptiste schreef over Parijs: De vrouw met het masker.

 

Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.