Schoonheid met een prijskaartje

Geschreven door Jürgen Vandewalle op 30 maart 2015

Jürgen Vandewalle © Marianne HommersomJürgen Vandewalle nam in de zomer van 2014 deel aan de Parijsresidentie van deBuren. Als architect is hij zich er bewust van hoe de architectuur van een stad en het sociale weefsel ervan nauw met elkaar verbonden zijn. In dit artikel duikt hij de geschiedenis in aan de hand van monumenten en bevraagt het belang van dergelijke bouwwerken voor 'de mensen die zonder fototoestel die monumenten passeren'.

 

 

 



In dit tijdperk van onbestendigheid, waarin alles van waarde even snel vervliegt als sneeuw voor de zon, wordt een samenleving vaak gedefinieerd aan de hand van de dingen die wel blijven bestaan. Een stad is dan niet meer dan een conglomeraat van tijdloze monumenten waarin mensen als vluchtige passanten voorbij flaneren. Een enge definitie waaraan grootsteden als Parijs zich nog het meest spiegelen. De lichtstad spant het keurslijf van haar monumentale verleden zo hard aan, dat het heden en de toekomst erin versmachten. Sleutelen aan het binnenwerk van deze stad, zoals in de geschiedenis wel vaker is gebeurd, is haast ondenkbaar geworden. Le Corbusiers plan om enkele arrondissementen te slopen en opnieuw te bouwen was in de jaren twintig nog een interessante denkoefening, maar zou nu alleen nog verontwaardiging uitlokken. Het idee leeft immers dat steden hun centrum moeten betonneren, nieuwe bouwwerken die dan toch nog hun plaats krijgen in dat beeldhouwwerk van steen en staal kunnen maar beter een project à la Mitterand zijn. Een nieuw cijfertje op de toeristische kaart of de architect mag ophoepelen. In de wedstrijd met andere grootsteden om de eigen relevantie uit te schreeuwen wordt het debat over stedelijkheid, over de mensen die nog zonder fototoestel die monumenten passeren, volledig van de kaart geveegd.

Parijs is geen stad geworden omdat men er ooit een kathedraal heeft neergeplant. Het sociale weefsel dat de middelen bood om de Notre-Dame te bouwen én het gewriemel van metselaars en steenkappers aan de voet van die bouwwerf, maakten het jonge Parijs tot een stad. Een burcht of een kerk was in die tijd vooral een markeerpunt voor de beweging aan haar voeten. Nu slorpt de Notre-Dame samen met andere historische artefacten zoveel ruimte op, dat we er niet langer een stad, maar een soort permanente wereldtentoonstelling vinden. Het sociale weefsel van weleer situeert zich buiten de stadsmuren terwijl haar voormalige bakens als vervreemde schimmen achterblijven. Is de Notre-Dame nog een kerk? Worden in het Louvre nog salons georganiseerd? Lopen in Montmarte nog zwalpende artiesten rond? Parijs staat vol antiquiteiten die hun rol in het stedelijke weefsel ergens onderweg zijn verloren.

 

De afstand van Sevran tot Parijs

Wanneer de directeur van een jobcentrum in Sevran (een buitenwijk van Parijs) veertig jonge werklozen meeneemt naar het Louvre, blijkt dat 35 van hen nog nooit een museum hadden gezien. (1) Toch worden in de binnenstad om de zoveel jaar, wanneer de staatskas het toelaat, publieke gebouwen opgetrokken. Bibliothèque Nationale, Centre Pompidou, Musée du Quai Branly. Autonome, bombastische en disproportionele gebouwen die zich niet richten naar de stad, maar zich er net van weg keren. Ze integreren haast naadloos in het grote stadsmuseum, waarvan de relevantie niet wordt afgemeten aan de betrokkenheid van de Parijzenaars, maar aan de stijgende curve van het aantal buitenlandse toeristen. Een bezoek vanuit Sevran naar deze ‘publieke’ werken wordt immers alleen door overtuigde pelgrims ondernomen. De afstand van Parijs tot Brussel voelt kleiner aan dan de afstand tot haar buitenwijken. Die laatste ontberen monumenten waaraan ze hun identiteit kunnen ontlenen of waarrond zich een gemeenschap kan vormen. Onderwijl moeten ze opboksen tegen een stadskern die alle energie en economische middelen absorbeert en te afstandelijk is om haar rol als brandpunt van een samenleving op te nemen.

Toen Parijs in de zeventiende eeuw als eerste in Europa zijn verdedigingswerken sloopte, werden de fundamenten gelegd voor een moderne stad. Paranoia ruimde plaats voor openheid, muren voor boulevards. De aristocratie daalde neer uit haar koetsen om samen met het gewone volk door straten en over pleinen te wandelen. Parijs was een spektakel met mensen van elke leeftijd, klasse en geslacht. Vandaag is de verdedigingsmuur helemaal terug. Binnen de Boulevard Périphérique worden de kroonjuwelen dagelijks opgeblonken voor de ontvangst van mensen met kapitaal en tijd. Erbuiten situeert zich het gewone volk dat zoals de jonge werklozen in Sevran nog nooit van de Mona Lisa heeft gehoord. Na de Franse revolutie leefde dan nog wel het idee dat de machtsomkering van Versailles en Parijs de celebratie van de modale burger zou inzetten. De voormalige troepen van Marat zijn echter geleidelijk de stad uit geduwd door een wig van rijke UMF-kiezers, zich uitstrekkend van Versailles tot aan het Louvre.

Binnen die evolutie was en is de rol van het monument niet gering. De positie en aard van het monument weerspiegelt de relatie van de mens tot de gemeenschap. Het lijkt alsof de bouwwerken van Louis XIV, Napoleon III of Mitterand dezelfde doelstelling onderschrijven, maar als men deze tijdsvakken nader gaat bekijken merken we opvallende verschillen in de relatie tussen beleidsvoerders en burgers, tussen monumenten en stad.

 

Van bruggen tot barricades

We vereenzelvigen de dynastie van Louis XIV vooral met militaire successen, overmatige paleizen en ongekende grandeur. Waar dan weer te weinig aandacht aan wordt besteed is hoe dit koningshuis van Parijs een moderne metropool maakte. Eind zestiende eeuw lag rond de Seine een ingesloten en donkere stad die met enkele gammele houten bruggen aan elkaar was gebreid. Op het einde van de zeventiende eeuw ontplooit zich het Parijs dat in heel Europa bejubeld wordt en navolging krijgt: niet het middeleeuwse model waarin andere steden nog gevangen zaten, maar een open en geavanceerde stad. Henri IV legde de eerste bouwsteen voor dit nieuwe Parijs. Geen kathedraal of paleis, maar een monument dat haast symbool staat voor de stedenbouw van het huis Bourbon: de Pont Neuf, de eerste stenen brug over de Seine.

Toen Henri IV het Parijs dat hij net verworven had binnentrok, trof hij drie semisteden aan: de linkeroever, de rechteroever en daartussen het Île de la Cité. De Pont Neuf die deze drie elementen met elkaar verbind werd het nieuwe hart van deze stad, een commerciële en sociale levenslijn waar vooral de rechteroever nieuwe energie uit putte. De brug was open voor iedereen en werd een populaire ontmoetingsplaats voor mensen van elk allooi. In haar oksels langs de oevers ontstond zelfs een publieke badplaats voor de arme bevolking. In een stad die tot dan toe gekenmerkt werd door hokjes en binnengrenzen was de Pont Neuf een heuse verademing en een onorthodoxe locatie. Op februari 1610 werd de zestien jaar oude Duc de Vendôme op de brug gespot tijdens een wild gevecht met sneeuwballen. (2) Voor de Pont Neuf de aristocratie uit haar paleizen en koetsen had gelokt was dergelijk fysiek contact, met vreemden ver buiten hun sociale invloedssfeer, zo goed als ondenkbaar.

Natuurlijk was dit monument bedoeld om haar bouwheer te vereeuwigen, het bronzen standbeeld van Henri IV in het midden van de brug is daar getuige van. De Pont Neuf had echter ook een wezenlijke sociale en economische functie. Het stond ten dienste van de burgers, meer dan enig ander monument dat tot dan toe werd gebouwd. Louis XIV, de opvolger van Henri IV, ging verder op dit elan van verbinden en ontsluiten. Door zijn militaire campagne waren de verdedigingsmuren rond Parijs overbodig geworden waarop hij besloot om deze te slopen en te vervangen door een boulevard met bomen. Talloze handelaars en burgers die zich voordien door kleine poorten moesten wurmen liepen nu gewoon de stad binnen. In nog geen eeuw verdubbelde het aantal inwoners tot meer dan een half miljoen. Omdat Parijs uiteenviel in zelfstandige buurten trok Louis XIV straten door dit complexe stedelijke weefsel. Straten die niet enkel de eigen buurt dienden, maar Parijs in zijn geheel. De manier waarop een dergelijke stedenbouwkundige transformatie werd uitgevoerd, zonder de grootschalige vernieling van bestaande gebouwen en netwerken die hiermee vaak samengaat, is opmerkelijk. Niet alleen monumenten, maar ook huizen en andere alledaagse panden die niet noodzakelijk gesloopt moesten worden, werden geconserveerd. De Bourbons transformeerden de stad met oog voor het bestaande.

In vergelijking met de zeventiende eeuw is de stedenbouw van Napoleon III en baron Haussmann van een heel andere orde. Boulevards, parken en pleinen werden over de stad gestrooid, zonder behoud van, en aandacht voor, het bestaande stedelijke weefsel. Napoleon III wilde Parijs niet enkel op een hoger niveau tillen, hij wilde de kankerplekken, de buurten waar het gepeupel zich ophield, eruit snijden. Geen stedenbouw van de conservatie, maar van sloophamers en wild knip- en plakwerk. Deze stadsplanning stond niet langer ten dienste van de burgers, maar was juist tegen hen gekeerd. De militarisering van de publieke ruimte was namelijk niet enkel ingegeven door esthetische overwegingen, maar ook door strategieën om de bevolking onder de duim te houden, zoals Emile Zola getuigt: ‘Paris haché à coups de sabre, les veines ouvertes, nourrissant cent mille terrassiers et maçons, traversé par d'admirables voies stratégiques qui mettront les forts au cœur des vieux quartiers.’ (3) Hele buurten werden verplaatst, bestaande sociale netwerken onderbroken. Alles in functie van het grote project, een lichtstad die in schoonheid haar gelijke niet kent, maar waar zijn burgers een dure prijs voor betalen.

De betekenis van het monument wordt hier omgekeerd. Het functioneert niet langer als brandpunt van een samenleving zoals de Pont Neuf of de Notre-Dame. De stad wordt zelf monument, met boulevards en pleinen die vaak enkel dienen om zijn schoonheid beter te etaleren. Niet alleen de gebouwde omgeving, maar ook de burgers dienen hierbij het totaalproject, ze moeten zich aanpassen aan de monumentale stad of wijken als ze niet in het plaatje passen. De volledige onteigening van buurten of het verbergen van woningen, achter door de stadsplanners ontworpen en voorgeschreven gevels zijn hier getuige van. Zoals architectuurtheoreticus Geert Bekaert stelt, ‘wordt de omgeving door het monument getiranniseerd en vaak letterlijk, teruggebracht tot een onleefbare schijnwereld, een slecht theater dat niet het drama van het leven laat zien, maar wel de trucs waarmee het zich ervan afkeert, perfect aangepast aan een onmiddelijke integratie in de culturele schijnwereld’. (4)

Wat Napoleon III nalaat is dan wel een moderne stad, maar het sociale weefsel ervan is voorgoed gebroken. Een strategie die de Nederlands architect en denker Aldo van Eyck 'sociocide' noemt, waarmee hij niet de moord op de gemeenschap in lijfelijke zin bedoelt, waarbij je de mensen vernietigt. Het verschil met genocide is dat de mensen weliswaar nog in leven gebleven zijn, maar dat verder alles weg is, alle betrekkingen tussen de mensen zijn weg en er blijven slechts trieste ontheemden over. (5) Een kwalitatieve stedelijkheid met dito socio-economische netwerken ontwikkelt zich binnen een langzaam proces waarin de gebouwde omgeving als een soort collectief geheugen een belangrijke rol speelt. Wanneer deze stedelijkheid wordt weggesneden van haar voormalige monumenten, straten en pleinen dan komen kwetsbare mensen terecht in een omgeving waar ze geen affiniteit mee hebben en waarmee ze pas na decennia opnieuw kunnen assimileren. Op deze wankele fundamenten werd het hedendaagse Parijs gebouwd, een stad die in handen kwam van stadsplanners die de Haussmanniaanse methode niet eens veroordelen, maar deze tot op zekere hoogte zelf toepassen. De stadsplanners van de twintigste eeuw werken namelijk op hetzelfde elan door, ze bevestigen de grenzen en barrières die Haussmann in de steigers zette. Ze sleutelen verder aan het totaalproject van een monumentale stad, maar vergeten de burgers die zich errond vestigen. De trieste ontheemden zijn dan ook nooit teruggekeerd, maar houden zich nog steeds op in buitenwijken zonder centrumfunctie en zonder monumenten.

 

Stadsplanning in twee snelheden

Steden kunnen zich in verschillende snelheden ontwikkelen. Een stad die, zoals het negentiende-eeuwse Parijs, snel een volgend tijdperk wordt ingeduwd, gebruikt een stadsplanning die door de snelheid en schaal van haar opdracht enkel oppervlakkige premissen kan toepassen. Dit is een stedenbouw van de grote bewegingen die vaak alleen maar functionele doeleinden (oplossingen voor verkeersproblemen, het aantrekken van toeristen en bedrijven, verdediging tegen revoluties et cetera) onderschrijft omdat ze als middel niet doeltreffend is om de kleine fricties tussen burgers aan te pakken. Grootschalige projecten, zoals de Boulevard Périphérique, de grootse stadsplannen van Haussmann of kantoorwijken als La Défense, zijn namelijk alleen maar mogelijk als men een abstractie maakt van de bestaande stad, wanneer men haar slums en buitenwijken, haar straten en pleinen, reduceert tot een tabula rasa voor stadsplanners. In Parijs is er dan ook al lang geen plaats meer voor een kleinschalige stedenbouw, die de wensen, voorwaarden en ideeën van haar burgers incorporeert. Al sinds de stedenbouw van de Bourbons past men immers een methode toe die de gewone burgers, die nood hebben aan een bottum-up stedenbouw, volledig negeert. Stadsplanning zou een belangrijke rol kunnen spelen binnen de socio-economische realiteit, door infrastructuur te voorzien en het stadsbeeld te verfraaien waar nodig, ook aan de andere kant van de Boulevard Périphérique. Alleen moet zij zich daarvoor ontdoen van oppervlakkige doelstellingen en grootse projecten, en recente evoluties tonen aan dat Parijs die weg nog lang niet wil inslaan. Alle hedendaagse bouwprojecten, Bibliothéque Nationale, Centre Pompidou, Musée du Quai Branly en de uitbreiding van de Cité de la Musique worden alle geïntegreerd in het stadscentrum om er de bouwpromotoren en toeristen tevreden te stellen. Nieuwe monumenten voor een binnenstad die al baadt in weelde en schoonheid. Onderwijl wachten in de buitenwijken werkloosheid, brandende auto’s en vuile straten. Deze stad is erin geslaagd het verkeer tot aan de Notre-Dame te leidden en toeristen in bosjes aan te trekken, maar slaagt er niet in om de sociale problemen (segregatie en onveiligheid) aan te pakken.

Een belangrijke vraag is wat architectuur dan net tot monument maakt. Het zijn niet de Dorische zuilen die het Parthenon in Athene tot waardevol maken, maar de taferelen die er zich hebben afgespeeld. Het feit dat dit gebouw een dynamisch gegeven was in een significante stad maakt dat we het als monument willen vrijwaren. In die zin is een buurt in zijn geheel, zijn ruimtelijke samenhang, zijn stratenpatroon inclusief het leven dat er plaatsvindt evenzeer en zelfs meer een monument dan een kerk of een station waar alleen nog toeristen komen. Als men zou voorstellen om de Notre-Dame af te breken zou men eens goed lachen met dat voorstel. Men gaat namelijk niet door een middeleeuws monument. Maar men gaat wel dwars door een monument heen als het een buurt is met pleinen en straten en kwetsbare mensen. Er is een grote discrepantie tussen de onkwetsbaarheid van een middeleeuws monument en de wijze waarop men sommige buurten in Parijs behandelt. Laten we deze buurten opnieuw koesteren, de sloophamers er opbergen en hun ruimtelijke samenhang en sociale weefsel conserveren zoals men dat in de binnenstad doet. Laat ons er ook monumenten bouwen, geen megalomane bouwblokken, maar pleintjes, straten, winkels en ontmoetingsplaatsen. Geen barricades, maar bruggen. En wat die binnenstad betreft: als toeristen er tien euro willen betalen voor een kop koffie, dan zal die nog wel even overleven zonder nieuwe monumenten.


NOTEN
(1) Anoniem, 'Forgotten in the banlieus', The Economist (23-02-2013). Verkregen van
 www.economist.com.
2) Dejean, Jean, How Paris became Paris, the invention of the modern city, New York:
 Bloomsbury 2014.
(3) Zola, Émile, La Curee, Paris:
 Livre de poche 1872.
(4) Geert Bekaert in: Van Gerrewey, Christophe en De Kooning, Mil, Geert Bekaert, Verzamelde opstellen, Gent, WZW editions & productions, 2008
(5) Van Eyck, Aldo, in: Francis Strauven, Aldo van Eyck: relativiteit en verbeelding, Amsterdam: Meulenhof 1994.

 


foto Jürgen © Marianne Hommersom

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Jürgen schreven in Parijs? Klik hier.

Tijdens de presentatieavond Mais oui, Paris! ging Jürgen met Lars Dellemann en Simone van Saarloos dieper in op dit onderwerp. Beluister hier een fragment als podcast.

 

Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.


 

Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.