No Man's Land (3/5) + The Superga Girls

Geschreven door Didi de Paris en JMH Berckmans (vertaling: Nadine Malfait) op 2 september 2009

Op 12 juni 2008 overleed Kamiel Vanhole en op 31 augustus 2008 verliet Jean-Marie Berckmans zijn stoffige en stoffelijke wereld. Als hommage aan deze twee bijzondere schrijvers, plaatst deBuren een vijfdelig eerbetoon online, geschreven door Didi de Paris. Daarnaast bieden wij u telkens een bijzonder presentje aan. Onder deel 3: 'The Superga Girls', een vroeg verhaal van Jean-Marie Berckmans.

 

No Man's Land (3/5)

Berckmans’grillige carrière als publicerend auteur vangt aan met de dichtbundel Tranen voor Coltrane. Op de cover prijkt een spuuglelijke foto van ABBA. Het geheel krijgt de ironische… wat zeg ik? Berckmans kent geen ironie. Bij hem primeert de onversneden galgenhumor. Men voelt de geest van François Villon. De bundel krijgt als ondertitel: ‘fundamenten’. Gek voor iemand die al lang geen fundamenten meer heeft. Het is dan ook iemand die, alvorens hij dit inferno binnenstapt, alle hoop opgegeven heeft. Helemaal vooraan lezen we een citaat van T.S. Eliot, dezelfde man die zei dat er in dit tijdsgewricht geen perfecte kunst meer kon worden gemaakt. Het zijn de openingsverzen van Ash Wednesday: ‘Because I do not hope to turn again / Because I do not hope / Because I do not hope to turn.’ Deze forse intentieverklaring zindert na tot in de verhalenbundel uit 2003: As op Jazzwoensdag.

Ook Vanhole verwijst naar T.S. Eliot. In ‘Ouwe Sacoche’, het verhaal dat hem als kleine jongen in beweging zet, citeert hij vers zestig tot en met vijfenzestig uit The Waste Land. Regels die hij in een vroegere versie in 1995 nog bestempelde als ‘een paar – niet eens zo denderende – regels’, omschrijft hij uiteindelijk als ‘doemregels’.

Unreal City,
Under the brown fog of a winter dawn,
A crowd flowed over  London Bridge, so many,
I had not thought death had undone so many.
Sighs, short and infrequent, were exhaled,
And each man fixed his eyes before his feet.


Appreciatie evolueert met de tijd.

Bij Berckmans is het pesimisme altijd fundamenteler. De eerste periode in zijn schrijversloopbaan situeert zich enkele jaren voor het debuut van Vanhole. Berck ademt de Zeitgeist in. De nawerking van het al dan niet mythologische Mei ’68, liet zich hier te lande voelen in de periode ‘70-’75. In 1978 was er het pijnlijke besef dat de Grote Revolutie, zoals Miek en Roel die zo treffend bezongen hadden, er inderdaad niet kwam. In ’78 hadden we ook de eerste punkgolf gehad. Punk was al een reactie op hippie geweest, en mei ’68 was ook niet dat geweest wat men zich gedroomd had. In 1978 zag men dat het allemaal weinig zoden aan de dijk had gebracht. Her en der moest men in de steden van het Oude Continent dekking zoeken voor de kogels van de stadsguerillia.

Zoals Céline schrijft Berckmans vanuit het standpunt van de underdog. Zoals bij Artaud is het vertrekpunt het disfunctionele individu. De brilliante student Germaanse filologie die zijn studie om gezondheidsreden moest opgeven. De florerende zakenman, een schoenfabrikant in Bari, die geplaagd wordt door manische depressiviteit. Het is ook in deze psychiatrie, waar rond 1980 in Nederland de eerste harde acties werden gevoerd door autonomen. Acties die gericht waren tegen de importeur van het middel waarmee men mensen in de psychiatrie platspoot… Evenmin is het toeval dat mijn eigen eerste boek, Maladie d’Amour, zich afspeelt in de wondere wereld der psychiatrie.

Vriend Jean-Marie presenteerde geen Tales of Ordinary Madness. Hij hield ons slechts een lachspiegel voor, knettergek en apestoned. Tot nader orde blijft de literatuur hoofdzakelijk een spel voor fijne luyden. Tot ver in de negentiende eeuw was het een favoriete bezigheid van de burgerij om op zondagnamiddag in de zothuizen te gaan kijken hoe mensen geketend lagen te spartelen in hun eigen stront. Tot aan het einde blijft bij hem sporadisch en tussen de lijnen en tussen de grollen door de aspiratie op maatschappelijke verandering doorschemeren. Tot in zijn laatste bij leven verschenen bundel Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel, leest men sardonische kattebelletjes, zoals op pagina 11: ‘En naar de onteigening van het grootkapitaal kunnen we voorlopig nog maar even lustig een deuntje fluiten’. Dit soort krenten haalt men bij Berckmans geregeld  uit de pap. Soms moet men de straat opbreken om het strand te vinden

P.S: Overigens ben ik van mening dat de NAVO afgeschaft moet worden. www.vredesactie.be

Didi de Paris
(foto © Kris Verdonck)


The Superga Girls

It is already ten past seven and still pitch dark when the girl leaves the house in Vico San Marco. The early morning dew still glistens on the naked slabs of the ivory, timeless, slithery freestone street.

The girl’s name is Graziella Tebaldi and she is fourteen. She works in the Superga packaging department and has to catch the 20 past 7 from Piazza Massari. Bus 27, that is, which Graziella has always found slightly odd – the number of the bus equalling the sum of the digits of its scheduled departure, but she has also dismissed the thought as idle and preferred to keep it to herself.

She has to rush. She usually has fifteen minutes in bed, so immediately turns into Via San Luca, then right again and under the rampart, onto the seafront, circling the old centre. Day is already dawning on the seafront like an age-old symphony – invariably born from night – for horns and winds, percussion and strings, jingling and moaning, swearing and harping, cars, buses, mopeds, bank clerks, students, traffic wardens, the great unwashed, less and more so, anger aplenty, stench and noise, chagrin aplenty, searchlights and lurchlights, blinding headlights, glaring lights inside bars, light  behind windows.

She rushes through a maze of tiny black streets and black alleys – Strada del Carmine, Piazza Bisanzio, tiny streets, Via del Tesoro, alleys, Vico Carducci – diagonally across the old centre, almost slipping on the slithery slabs. She hurries round the cathedral, Largo San Sabino, Via Lucio Battisti, Largo Manfredi, Piazza Caterina Caselli, hears the echo of her heels as its fades behind her and ricochets tenfold ahead. Via Renato Guttuso. ‘STOP! STOP!’, it flashes through her mind, flashes through her mind again – soundless this time, a girl’s scream flying at the throat and blocking the larynx, rock-solid, biting the marrow.

‘She’s going the wrong way,’ Pino said.
‘She’s lost her bearings,’ Antonio said.
They were standing in a doorway when Graziella passed them, but Graziella didn’t notice.
‘Are you sure she didn’t see us?’ Pino asked.
Antonio stayed silent.
‘She’s running further and further away from the seafront,’ Mario said.
‘To Piazza Mercantile,’ Pino said.
‘Okay,’ the others went.

Mario and Pino ran through the tiny streets and alleys; the rubber on their plimsolls not even cracking inaudibly on the smooth paving stones.
Antonio ran the other way. He found an excellent vantage point in the inner courtyard of an old, empty and deserted building. From where he was standing he had an unobstructed view of Piazza Mercantile and the town rampart’s gaping black holes. Streets and alleys discharged into the town rampart’s gaping black holes and started winding and swarming until, deeper and deeper inside the city’s belly, hidden behind walls of old, silent stone, they merged into an incomprehensible maze.
He lit a cigarette.
Graziella stood still on Piazza Mercantile, exhausted and breathless.
Antonio saw her standing.
Mario and Pino heard her panting. Their arms shot out of the black hole, opening like the hungry jaws of waking many-headed monsters that loomed up from under quicksand.

The square lies, black, in front of Graziella.
Mario pulls the revolver from his trouser pocket. Pino’s right fist hits Graziella’s jawbone with all its might. The jawbone crunches, but before the cry of pain can bellow its way out, Pino clenches his hand around Graziella’s throat. Mario puts the revolver on the ground. He rips the fastener of her skirt to shreds, tears the garment and knickers off the girl’s motionless body.

Pino’s hands slide from Graziella’s throat to her buttocks, force her thighs apart.
Now Mario hammers his knee between Graziella’s thighs, unbuckles his belt, unzips his fly, rolls back the band of his y-fronts under his scrotum and pushes his penis between Graziella’s thighs.

Graziella feels his penis sliding effortlessly inside her, feels it pounding away at her stomach with thumps that grow shorter and harder and which she feels in her heart. Then, suddenly, a short fire glows somewhere in her body and immediately fades into cold ashes.

Mario grits his teeth to almost breaking point, trying hard to stifle the cry that virtually drives him mad with pleasure. Pino drops Graziella to the ground, bends over her, pulls the wedding ring from her right index finger, snaps the delicate necklace around her neck in two, a thin golden wisp, and crushes it in the palm of his hand.

‘The watch,’ Antonio thinks.
But then he sees Pino pull the watch from her wrist and notes how the watch, delicate necklace and wedding ring disappear inside one of his coat pockets.
Mario fastens his belt again, picks up the revolver and puts it back into his trouser pocket.
Together, they cross Piazza Mercantile. Their bodies are invisible, their footsteps inaudible on the stones.

‘Everything okay?’ Antonio asks, later.
‘Everything okay,’ Pino says.
Mario doesn’t speak.
They are sitting round a small plastic table in the backroom of a bar on the seafront.
Pino takes the watch, the ring and the delicate necklace from his coat pocket.
‘I’ll have the necklace,’ Antonio says.
‘Fair enough,’ Pino says, ‘I’ll have the watch.’
Pino hands Antonio the necklace and puts the watch back inside his coat pocket.
Antonio says: ‘The wedding ring’s Mario’s.’
And Pino says: ‘She’s his sister.’
‘All the more reason,’ Antonio says.
They both sip their coffee.
Mario doesn’t speak.
He gets up from his plastic garden chair and walks through the back room, through the bar, bumping into card players and loafers, ignoring a greeting shouted overhead, unhearing, dumb and deaf, he leaves the bar, steps onto the seafront. He fixes the dark, distant horizon. The sea laps and splashes against the quay, the breakwaters, the small boats. Mario is elated, an omnivorous glow takes hold of his body. He can feel the jerks surging from his hips again, the fire burning his pelvis all over.

Oblivious to the grinding and blaring traffic on the seafront, oblivious to the hundreds of light beams of the falling night, he walks towards Piazza Massari.
One by one, the Superga girls get off bus 27.
Mario walks towards Stefania and furtively kisses the lips which Stefania presses together.
Mario says: ‘You okay?’
Stefania says: ‘Is Graziella ill?’
Mario says: ‘No idea. Why?’

Jean-Marie Berckmans
Nadine Malfait



Het originele verhaal werd gepubliceerd in Vergeet niet wat de zevenslaper zei (1989). De vertaling is, speciaal voor de hommage van deBuren, gemaakt door Nadine Malfait. deBuren dankt de erven Berckmans en mevrouw Malfait.