No Man's Land (2/5) + Women in Six Cities

Geschreven door Didi de Paris en JMH Berckmans (vertaling: Nadine Malfait) op 1 september 2009

Op 12 juni 2008 overleed Kamiel Vanhole en op 31 augustus 2008 verliet Jean-Marie Berckmans zijn stoffige en stoffelijke wereld. Als hommage aan deze twee bijzondere schrijvers, plaatst deBuren een vijfdelig eerbetoon online, geschreven door Didi de Paris. Daarnaast bieden wij u telkens een bijzonder presentje aan. Onder deel 2: 'Women in Six Cities', een vroeg verhaal van Jean-Marie Berckmans.

 

No Man's Land (2/5)

2008 was een annus horribilis. Vooral de zomer was fucking hell, begon met de dood van Kamiel Vanhole en eindigde met de dood van JMH Berckmans. Bij leven en welzijn was ik mij er nauwelijks bewust van dat ik mijn eigen baldadige carrière op hen afgestemd had.  Krijtlijnen, ijkpunten, grensstenen, brulboeien ontvielen mij…

Kamiel: de eeuwige optimist, l’homme au sommets des vents. bereisde de wereld en bleef tegelijk alom aanwezig in Kessel-Lo. Precies toen Kamiel één keer de wereld rondgestapt was, en weer aangekomen was in Sterrebeek, verdween hij. Meer is het niet. Men bakent zijn terrein af, zoals een hond hier en daar tegen een muur, of tegen een paaltje zeikt. Zo gaat dat. De een gaat de halve wereld rond, de ander is bang, graaft zich in de Grauwzone. Een ander is banger en maakt vanuit Kessel-Lo grote reizen door zijn hoofd.

Kamiel schreef altijd vanuit het standpunt van een normaal observator, JMH Berckmans beschreef de participatieve democratie gezien vanuit de goot. Het subproletariaat: het rijk van de zatten, de zotten, de doppers, de dope-heads, de drop-outs, de sans-papiers… Beschreef hij prachtig en krachtig, zoals het hier nog nooit is gedaan. Bukowski, zonder Schopenhauer. Voor JMH geen verhalen en nog minder een boodschap – tenzij op het toilet. Daar speelt hij geregeld de eerste viool. Zijn scatologisch repertoire is dan ook schier onuitputtelijk. Hij kon rijmen en dichten zonder zijn gat op te lichten. Het was ook met stront dat het middeleeuwse grauw graffiti tegen zijn onderdrukkers op muren schreef. Bij Berckmans horen we een langgerekt gehuil. Een schreeuw.

JMH was een orkaan, het inktzwarte zwarte gat, gewapend met schabouwelijke humor hees hij de zwarte vlag hoog boven ’t Kofschip, de saboteur, de torpedo van de belletrie, dat was de melodie van Jean-Marie, de freejazz in het hoofd, blues en rock, en Zwarte Lola: chachacha! Dionysische Jackson Pollock. De straathond,  bastaard, morsig zompig, schmutzig: ‘vuilen hond!’ Grimmig jankend (lang voor het bombardement), bakent al zeikend zijn  territorium af, een voorschoot groot, heeft zich – zo lang de lepel in de rijstpap staat – ingegraven in de Lange Leméstraat, tussen pot en pin, tussen bureau en bar, tussen Den Dorstigen Haan en Café de Raaf. De heraut van de onderkant ratelt constant zijn 365 gedichten per uur; een muziekje dat Louis-Ferdinand Céline in vijfde voorbijsteekt (langs links). Vanuit de goot dirigeert hij grootmeesterlijk zijn niet-aflatende frontale aanvallen tegen de bovenbouw. Naar niets minder streeft hij dan naar het tabula rasa van Samuel Beckett, omdat hij net als de soi-disant ‘tedere anarchist’ Boontje vindt dat men vooraleer men de nieuwe maatschappij opbouwen kan, men niet moet aarzelen eerst alles naar te kloten te kloppen.

Vanhole daarentegen blijft kalm en optimistisch. Hij straalt, zoals altijd, rust uit. De roerloosheid die men vindt in het oog van de storm. Altijd vooruitstappend. Reizen om te leren. De mensen, de steden en hun geschiedenis. Daarbij verliest hij de donkere kantjes van de mens niet uit het oog. Zijn debuut draagt de naam Een demon in Brussel. In zijn laatste boek  schrijft  hij: ‘Driften gaan schuil achter een effen front en het demonische in ons, de droom waarin wij een ander het allerlaagste aandoen, hult zich bovengronds in een net pak om in de etalage van een kristalzaak een vaas van Val St. Lambert  te bewonderen.’

Berckmans is driester, de iconoclast op stinkende versvoeten heeft er geen moeite mee de bibliotheek van Alexandrië in de fik te steken. En daarbij een – ha! ha! ha! – bulderend gelach te laten horen, zoals Johnny Rotten en Marquis de Sade. Wat maalt hij erom? Die bibliotheek zat toch al lang in zijn hoofd. Ligt hij nu in de goot, of prinsheerlijk in een kraakwit bed van een verzorgingsinstelling, altijd kon Jean-Marie putten uit de eruditie die hij tot dan toe uit de wereld gezogen had. JMH ontregelt geregeld en blaast de taal en de zinnen op, net zoals hij voortdurend tegen de wereld zei: Wedde wah, jong? Blaasttemop!

P.S: Overigens ben ik van mening dat de NAVO afgeschaft moet worden. www.vredesactie.be

Didi de Paris
(foto © Kris Verdonck)


Women in Six Cities

Flanagan went:

‘The year when,  after much inefficient pottering and useless fiddling about, K.Y. Jelly finally managed, last minute, to set the seal on what he considered his life’s work and was granted a patent for what he was to baptize ‘Vaseline’, that same year, virtually buried under the sands of time that cover everything, that same far-off year, as I was saying, my grandad sang the praises of half a dozen women in half a dozen cities.

Breasts and buttocks had been squeezed in Ballinasloe, dinner eaten with a ginger hooker in Londonderry and summer slept through in the company of some sort of marchioness from St. Stephens Green, Dublin. Sally from Cork was commended for her cooking, Kieran from Belfast for her notorious Death Shot, that had yet to miss the bull’s eye between an English soldier’s eyes.

His own wife he praised, commended and honoured for the sheer pleasure which his and her limited – nay, sole – offspring had provided: moi,  Patrick Flanagan.

Grandad lived in clover, grandad rolled in clover in those days. Things eventually did stop going his way, though, and a motley series of nasty mix-ups drove him from bad to worse until, after my father and mother had been killed in the Tipperary bombing, he eventually realized that I was his only living friend on Irish soil. Eventually, as I said, much later, Grandad stuck to singing the praises of the sun, the wind and the sea, full of fish, that kind of stuff.

Now, now he was drawing his last, rattling breath which, to my dissatisfaction, sounded like it might be a very long one indeed. The pair of us had sailed down the Shannon in some kind of houseboat, a lousy river for houseboats, to be sure. Me at the helm, my grandad on his death bed in his cabin, tossing in frenzied delirium, seeing cows fly through the air, hearing bulls talk and smelling goats’ droppings. He made an  infernal racket, poor old sod.

When he first got delirious, I poured the whiskey, then the brandy, then the blackcurrant gin and finally the crate of Guinness down his throat, so Grandad had a reasonably quiet night, although he did wake up from  his stupor a few times and called out at the top of his voice for half a dozen women in half a dozen cities, disturbing the perfect silence of the river with his ranting and raving, but all in all it hadn’t been too bad, that night when I first poured the whiskey, then the brandy, then the blackcurrant gin and finally the crate of Guinness down his throat, but now!

Now, in the glittering light of a starry night that lit up the entire firmament like an immense – never mind. We had run aground on a sandbank at least 20 miles away from the next settlement. At best we would be freed in the next high tide, at worst we might drown in the forecast Shannon storm tide, such was our predicament.

I, Patrick Flanagan, smoked  a cigarette leaning over the houseboat’s railing, looking at the sky, the stars, the pitch black river. My grandad bawled and shrieked in the background, and yelled and swore and blasphemed so loudly that afterwards, after his death, I was not in the least surprised when I saw that the river police had sent out a rescue party from the next settlement to save what had seemed like a drowning person calling out for help.

I looked at the landscape, the muddy sandbank, the swelling river, and wondered whether there were crocodiles in the water and, consequently, if I should be taking hefty measures to stop the reptiles from sneaking on board across the railing and from devouring grandad, alive. This grim consideration haunted my mind until the sudden silence roused me from my crocodile terror.

The deafening noise from the cabin had suddenly given way to an unbearable, almost frightening silence and it suddenly seemed as if my grandad had indeed breathed his last. This surprised me at first, yet when the probability, followed by the almost absolute certainty of what must have been his ultimate breath, sank in – then.

Then, I wondered whether I should embalm his body with Vaseline, or whether it wouldn’t be much simpler to simply throw my grandad in the Shannon, to the crocodiles.’

Brady said: ‘We’ll I’ll be…!’
Connolly said: ‘First-rate! Really first-rate!’
‘Quite a story!’ Boswell said.
‘Very fertile imagination,’ Haigh said.
‘Come again?’ Brady asked Haigh.
‘I wonder what Haigh means,’ Boswell asked Brady.
‘That Flanagan is having you on,’ Flanagan said. He stood erect, a giant oak swaying in a storm, in the middle of the room.
‘You don’t honestly expect us to believe that claptrap, do you?!’
Haigh looked around the room, furious.
Flanagan hurled his glass to smithereens in the open fire.

Jean-Marie Berckmans
Nadine Malfait



Het originele verhaal werd gepubliceerd in Vergeet niet wat de zevenslaper zei (1989). De vertaling is, speciaal voor de hommage van deBuren, gemaakt door Nadine Malfait. deBuren dankt de erven Berckmans en mevrouw Malfait.