No Man's Land (1/5) + Digging Tiny Holes for Tiny Dead Crows

Geschreven door Didi de Paris en JMH Berckmans (vertaling: Nadine Malfait) op 31 augustus 2009

Op 12 juni 2008 overleed Kamiel Vanhole en op 31 augustus 2008 verliet Jean-Marie Berckmans zijn stoffige en stoffelijke wereld. Als hommage aan deze twee bijzondere schrijvers, plaatst deBuren een vijfdelig eerbetoon online, geschreven door Didi de Paris. Daarnaast bieden wij u telkens een bijzonder presentje aan. Onder deel 1: 'Digging Tiny Holes for Dead Crows', een vroeg verhaal van Jean-Marie Berckmans.

 

No Man's Land (1/5)

'Jongens! Jongens! Wij gaan vandaag op reis, en zorg er nu voor één keer voor dat als we daar zijn, in Brussel, de mensen niet zien dat wij van Steenokkerzeel zijn', had de meester gezegd. Die uitstap uit mijn jongensjaren was mij dermate bevallen dat ik in 1969 besloot om mijn middelbare studies te laten aanvangen in de hoofdstad. Dat was een beetje hoog gegrepen. Met nog enkele knapen uit het dorp vormden wij een kleine groep die de rest grote zorgen baarden. Wij waren een belediging voor onze schone Vlaamse cultuur. Wisten wij, jonge honden in het kegelspel, veel? En ze bleven er maar op hameren. 'Boeren' waren wij, te beklagen, want geen opvoeding. Met ons was het zo slecht gesteld dat de pater rector zich geroepen voelde ons wat beschaving bij te brengen. 'In Congo is het toch ook gelukt!'

Dag aan dag was de stad getuige van een invasie, een kinderkruistocht; steeds weer zag men hoe het Vlaamse volk elk etmaal uitstuurde zijne zonen, dochters ende bakvissen. Een van hen was Kamiel. Kamiel Vanhole. Uit Sterrebeek! Boekentas op de rug zette hij zich in gang. Al fluitend – Quick & Flupke; P’tit Gavroche. Op een ochtend, acht uur, de stad begon al  te stinken. Kamiel kwam in beweging,  begon te lopen. Van Centraal naar Sint-Jan Berckmans. Liep door. Het college, de universiteit, de universaliteit, altijd rechtdoor. Jaren en jaren na het college bracht hij op de Heiberg in Kessel-Lo, mij in contact met de echte Berckmans: JMH. Het zijn linke streken waarin wij leven en alles is verbonden met alles.

Toen ik, in 1969,  een paar jaar na Kamiel, nauwelijks enkele straten verderop, dagelijks op missie Brussel  ingestuurd werd, kwam men er al gauw achter dat ik het slechtste Nederlands van de hele school sprak, van de hele Vlaamse Gemeenschap, van het hele westelijke halfrond, van de hele kosmos. ‘Shame on you!’

Mijn hele leven lang heb ik er een taalkundige vervreemding aan overgehouden. Mensen zoals ik behoorden niet tot de het Franstalige kamp, en al helemaal niet tot het Nederlandstalige. Ik was aanbeland in een linguïstisch No Man’s Land. (Vandaag spreekt men in de stad 200 talen.)

P.S: Overigens ben ik van mening dat de NAVO afgeschaft moet worden. www.vredesactie.be

Didi de Paris
(foto © Kris Verdonck)


Digging Tiny Holes for Tiny Dead Crows

Had I known the child was to be born lifeless, I would have entered the back yard and single-handedly dug a tiny hole, supped behind closed blinds and murmured a quick prayer. But since the contractions had started and now followed each other in quick, quick succession – sending my wife’s cries hovering over the horizon like patches of terrible fog over fallow land (making the horses in the stable restless, inciting inquisitive crows to alight in the front yard), I threw open the windows and danced, letting the frosty cold dew its way in.

In between (in between smothered moans and high, shrill shrieks) my wife briefly gasped for breath, after which she lay shaking silently on the bed and howled: ‘The scissors! The scissors!’, and then started whining and moaning all over again, like a pregnant prophetess.

I jumped inside my wolf skin coat and tore out of the house, across the back yard to the stable and mounted my grey, unsaddled, driving my knees into his flanks. I rounded the house in a tight, angular curve – the shrieks, my wife’s spine-chilling shrieks, tearing from the icy room where she lay in bed, slicing through the glassy mist, shrieking behind me across the frozen land, spurring me on to great haste, whizzing past my ears, reappearing miles ahead and setting off on a mad, mad hunt to catch up with my wife’s wails, the horse’s mane dancing on the icy wind. Dense murders of crows scudded across the sky like black clouds, uttering their raucous Caw-caw-caw, caw-caw-caw, caw-caw-caw.

I looked behind me and saw our house, our house at the foot of the hill, and I saw the hill, the hill with its defoliated trees by the side of the back road that runs to the top, and through their dead branches the greyish-white sky with its black crow clouds. It was as if my wife’s moans and groans were advancing towards the hillcrest, making their way past the dry bushes, climbing up into the leafless crowns, to the tips of the lifeless branches where, in the unborn buds, they escaped anew, spreading into the sky and merging gleefully with the raucous caws, but maybe I was imagining it all, the way misconceptions can sometimes be dictated in an endless stream of overpowering emotions. To my left lay the big farms with the imposing stone houses, silent on the land. To my right, I was now galloping past vast estates:  the cold had claimed its first crow victims, which lay thick on the land like lumps of black coal. Had the shrieks of my pregnant witch not driven me on, had help been at hand, I would have dismounted and single-handedly dug a tiny hole for a tiny dead crow.

Hours seemed to have elapsed when I reached the dry nurse’s place, thick drops of foaming sweat floating down my horse’s mane, which I led to the stable and watered. I stood by the open fire while the nurse got dressed and the nurse’s husband saddled two horses, one for the nurse and a fresh one for me. I stood by the open fire as the dry nurse gathered a few essentials. We rode back the way I had come, the crows seemed to be dying faster now, lying motionless, huddled together in the white snow-covered land, thick black lumps of coal tumbling from thinning black crow clouds whose caws were growing softer and less plaintive now. I told the dry nurse to stop and suggested it might be an idea to alight and dig tiny holes for tiny cute crows, upon which she bellowed madly: ‘You stupied boor! You crow numbskull!’ and asked witheringly whether it had escaped my notice that my wife’s shrieks were fast growing into whines, more plaintive and weak by the minute, duller, and said: ‘Make haste! Make haste!’, which I found an odd way of putting things, hardly usual, but I thought she meant we should hurry so she could help my wife give birth to my child, and that I would soon be greeting it.

Jean-Marie Berckmans
Nadine Malfait



Het originele verhaal werd gepubliceerd in Vergeet niet wat de zevenslaper zei (1989). De vertaling is, speciaal voor de hommage van deBuren, gemaakt door Nadine Malfait. deBuren dankt de erven Berckmans en mevrouw Malfait.