Natuurtalent

Geschreven door Freek Vielen op 27 november 2013

Naar aanleiding van de heropening van deBuren vroegen we twintig aanstormende talenten om ons goede raad te geven. Freek Vielen zette de opdracht naar zijn hand en vertelt u over talent en het verschil tussen Jan Wouters, Richard Witschge en ... Freek Vielen. Smaakt deze Vielen naar meer? Luister dan naar de podcast met hem en Rebekka de Wit en kom naar de toneelvoorstelling 'Heimat' op 5 of 6 december.

Twee weken geleden kocht ik mijn allereerste auto en nu al reed ik samen met mijn beste vriend door de stad. Mijn beste vriend had net een nieuwe vriendin en terwijl ik me probeerde te concentreren, vertelde hij dolenthousiast dat hij er door haar achter was gekomen dat hij eigenlijk een diepreligieus iemand is en dat hij dat nooit voor mogelijk had gehouden, als nuchtere bioloog.
     Ik moest denken aan een foto van een jaar of tien geleden. We zijn zeventien, het is de zomer na ons eindexamen en we fietsen door de stad. Op het moment dat de foto wordt genomen, trekt hij zijn voorwiel de lucht in en kijkt hij recht in de camera. Naast hem fiets ik en op mijn stuur zit een meisje. Nori. En Nori lacht. Nori lacht net iets te hard omdat we net iets te hard fietsen. Haar benen zwaaien de lucht in en ze lacht omdat we altijd net iets te hard fietsten.
     Ik herinner me nog dat ik niet wist wat ik na die zomer zou gaan doen. En ik herinner me vooral dat ik dat ik niet erg vond. Ik kon niet wachten tot de volgende bladzijde van mijn leven zou worden omgeslagen – hoe die bladzijde er ook uit zou komen te zien.

Zes jaar voor die zomer was ik elf en wandelde ik met mijn vader door Marum, een dorpje twintig kilometer onder Groningen. Ik huilde omdat ik net terug was van het eindgesprek met mijn meester van de lagere school die me verteld had dat ik niet slim genoeg was om naar de school van mijn keuze te kunnen gaan. Hij had gezegd dat ik twee niveaus lager thuishoorde. Drie keer liepen mijn vader en ik met onze hond het rondje dat we normaal liepen en drie uur lang hebben we over niks anders gepraat dan over voetbal.
     ‘Je hebt nu eenmaal mensen zoals Witschge,' zei mijn vader uiteindelijk, alsof er na die constatering geen uitleg meer mogelijk was. ‘Je hebt mensen die zonder daar echt iets voor hoeven te doen gemakkelijk bij Ajax mee kunnen draaien.' Ik knikte en we liepen zwijgend naast elkaar. ‘En ik denk', zei hij vervolgens, ‘dat jij geen Witschge bent.'
     Ik was nog steeds elf en het was donker.
     ‘Maar neem nou bijvoorbeeld een Jan Wouters.'
Ik had Jan Wouters nooit zien voetballen, hij was bij Ajax weggegaan toen ik zes was, maar mijn vader had de gewoonte om over voetballers te spreken alsof iedereen ze kende. Waardoor ik niet alleen een beeld, maar zelfs een mening had over het Ajax van voor mijn geboorte. Ik was dan misschien opgegroeid zonder Kaïn en Abel, ik kon uren meepraten over Keizer en Krol.
     ‘Het was Cruijff zelf die Wouters naar Ajax haalde.' zei mijn vader. ‘Het was Cruijff zelf die zag hoe hard Ajax hem nodig had. Maar hij moest wel elke wedstrijd, elke training weer keihard werken. Alles geven. Alleen dan zou hij het niveau aankunnen. Je bent waarschijnlijk geen Witschge, maar je zou als Wouters kunnen ploeteren om uiteindelijk Europees Kampioen te worden.'
     Het was de eerste keer dat mijn vader me raad gaf. Daarvoor hadden we natuurlijk ook wel gesprekken maar die hadden me nooit echt het gevoel gegeven dat ik zelf uiteindelijk de keuze moest maken.

‘Kijk,' zei mijn beste vriend in de auto, ‘als we religie definiëren als dat gedeelte van het leven dat zich bezighoudt met de vraag "wat moet ik doen met de tijd dat ik hier op aarde mag rondlopen?", ben je het dan niet met me eens dat wij dan beide in wezen diepreligieuze agnostici zijn?' En hij keek daarbij alsof die term een medaille was waar hij lang naar had uitgekeken.
     Ik knikte. Ik moest denken aan de keren dat ik somber was geworden als er weer een vriend enthousiast vertelde dat hij yoga had ontdekt. Wat zijn we toch voor mislukte dieren, had ik toen gedacht, dat we dat zo massaal nodig hebben? Ik moest denken aan het eind van die zomer toen ik zeventien was. De zomer waarin ik het ongelijk van mijn meester van groep acht bewezen had en me drie maanden lang Witschge had gevoeld. Een voetballer die intuïtief op elke situatie een antwoord had. Ik moest denken aan hoe ik voelde dat de zomer voorbij was toen ik alleen met Nori naar huis liep en niet wist hoe ik haar moest kussen. Ik wist dat ik weer boeken nodig zou hebben. En vrienden. En yoga. En gesprekken over voetbal. Veel gesprekken over voetbal.
     Misschien omdat er in de sport of op school wel natuurtalenten bestaan, maar in het leven niet. In de liefde niet. ‘Ja,' zei ik tegen mijn vriend, ‘religieuze agnostici.' En al iets soepeler stuurde ik mijn nieuwe auto door de straten waar ik vroeger fietste. Dromend van af en toe een Europa Cup of een zomer als Witschge.

 

 

 

Freek Vielen (1985) studeerde Woordkunst in Antwerpen. Hij maakte radiodocumentaires voor Radio 1 (Nederland) en werkt momenteel vooral als theatermaker waarbij hij zijn eigen teksten speelt of regisseert. Daarnaast organiseert hij, met steun van deBuren, samen met Maud Vanhauwaert en Rebekka de Wit literaire vaudevilleshows onder de titel Opkras kuit. In het najaar van 2013 gaf hij samen met Rebekka de Wit een lezing naar aanleiding van 'Romeo en Julia' in HETPALEIS. Beluister de podcast.