Meer seks, drugs en rock & roll!

Geschreven door Jürgen Vandewalle op 27 april 2015

Jürgen Vandewalle © Marianne HommersomJürgen Vandewalle trok met deBuren en 19 andere jonge schrijvers en kunstenaars uit de Lage Landen naar Parijs in de zomer van 2014. Een bezoek aan de begraafplaats Père-Lachaise resulteert in een reflectie over 'de vicieuze cirkel van het mond-tot-mondmassatoerisme'. Wat wil de toerist!?!

 

 

 

Onder een overhangende boom zit iemand in kleermakerszit voor zich uit te staren. Zijn ogen fixeren zich op één van de betonblokken die voor hem liggen uitgespreid, een smeulende joint ontsnapt met korte tussenpozen aan zijn lippen. De liedjes die de man neuriet zou hij ook achterstevoren kunnen spelen, zolang lijkt hij al vastgeklonken aan deze plek. De twee meisjes die naast hem postvatten zijn van een ander kaliber, ze fladderen voorbij alsof de grond te warm is om op dezelfde plaats te blijven staan. Hun 'I love Paris'-T-shirt en korte rokjes staan in schril contrast tot de gebreide trui van de man onder de boom, maar toch wordt dit op deze plaats nauwelijks opgemerkt. De meisjes halen hun smartphone boven, draaien zich om en nemen een selfie met een graf. We zijn op één van de weinige plaatsen waar dat sociaal aanvaard is en zelf gestimuleerd wordt: Cimetière du Père-Lachaise. Het graf in kwestie herbergt een zekere James Douglas Morrison en is omsingeld door dranghekken, toeristen en pelgrims met gebreide truien. Het postuum bezoek bestaat uit een bont allegaartje, waarvan enkelingen het volledige repertoire van The Doors kunnen reciteren, maar de meesten alleen weten dat hier een zanger van een of andere groep ligt. Als het niet uit bewondering voor het werk van Morrison is, waarom komen ze dan met miljoenen naar deze grijze steen kijken?

Aan de andere kant van het kerkhof hetzelfde tafereel. Bij het graf van Oscar Wilde komt sporadisch een lezer de laatste groet brengen. De rest van de bezoekers, die de grond voor de indrukwekkende grafsteen omwoelen, tonen geen interesse voor 's mans werk, maar schuiven in rijtjes aan om te doen wat hier blijkbaar een voorschrift is, met getuite lippen een kus geven op het graf. Feitelijk niet op het graf, maar op het glazen scherm dat rond het graf werd geplaatst om opdringerige toeristen op afstand te houden. Onder de chemicaliën van lippenstift was het beeld namelijk traag maar zeker aan het verweren. Wilde, de dandy, keert zich om in zijn graf. Ook van hieruit vliegen zelfportretten in vogelvlucht richting sociale media. Wat bezielt deze mensen om hier te komen en, nog sterker, om zich met deze plek te vereenzelvigen?

‘Ga je naar het graf van Morrison kijken?’ is de vraag die ik het meest krijg toegeworpen wanneer ik mijn bezoek aan Parijs en Père-Lachaise aankondig. De vraag wordt zo vlot en veelvuldig gesteld dat ze ingestudeerd lijkt. Terwijl ik me afvraag wat ik moet gaan zoeken en vinden op die plaats; ik ben al tien jaar niet meer op een kerkhof geweest en ik ken misschien drie nummers van The Doors. Tot enkele jaren terug dacht ik zelfs dat Jim Morrison een lid van The Beatles was. Ik wil mij tot op zeker hoogte wel laten meeslepen in de toeristische idolatrie van bepaalde plekken en personen. Maar waar plaatsen als de Arc de Triomphe, de Notre-Dame of het Panthéon nog een zekere historische waarde bevatten is een grafmonument als dat van Morrison op Père-Lachaise voor mij en voor vele anderen die er naar toe trekken niet meer dan een hoop beton met wat bloemen er op. De historische of architecturale waarde ervan is gering, veel mensen blijven er komen omdat er veel mensen zijn geweest. De vicieuze cirkel van het mond-tot-mondmassatoerisme.

De toerist in Parijs is een raar beestje, hij ergert zich luidkeels aan lange wachtrijen en drukke plaatsen, maar troept toch samen in kuddes bij 'significante' plaatsen. Einzelgänger die de kudde verlaten en op goed geluk flaneren door de stad zijn zeldzaam. Mensen verkiezen discotheken waar het te druk is om te dansen boven de gezelligheid van halflege cafés. Schouder tegen schouder, even op elkaars hielen trappen, wat geduw hier en wat getrek daar, de toerist heeft het gewriemel van een menigte nodig om te beseffen dat hij nog leeft. Parijs serveert haar toeristische trekpleisters dan ook op een dienblaadje. Aan de ingang van Cimetière du Père-Lachaise staat een kaart met aanduiding van haar bekende doden. Het kerkhof is ingedeeld in gemakkelijk te ontleden secties, een grid dat de verdwaalden terug op de paadjes doet wandelen. Zoeken, ontdekken en ronddwalen zit er dan ook niet in. Hoewel Morrison en Edith Piaf zich lijken te verstoppen tussen de andere grafstenen, worden ze zelfs door de meest gedesoriënteerde toeristen gevonden. Het halflege café met eensgezinden wordt dan al snel een te drukke discotheek met onverschilligen.

De culturele hoofdstad van weleer, waar het doelloos door de straten wandelen ooit een sport was, heeft zich dan ook perfect aangepast aan de eisen van het massatoerisme. Plekjes die niet te zwaar op de maag liggen, dicht bij metrostations en koffiehuizen, waar ruimte is gelaten om de sporadische selfie te nemen. Voor de glazen piramide van het Louvre staan zuiltjes waarop mensen kunnen portretteren voor een foto. De zuiltjes zijn precies opgesteld zodat je het topje van de piramide aanraakt als men in beeld de arm strekt. In het Louvre zelf staan al vanaf de ingang pijlen om de weg naar de Mona Lisa aan te duiden, een werk dat iedereen al kent maar waar iedereen toch naar gaat kijken. Een Starbucks voorziet de mensen er van hun dagelijkse koffie. Het moderne Parijs vertelt zijn eigen verhalen. Verhalen in kleine, gemakkelijk te verteren porties met een strikje errond, op maat gesneden voor de toerist. Grote episodes uit de Franse geschiedenis ruimen plaats voor het even heen en weer schuiven bij de Mona Lisa, een hangslotje aan een brug, een kusje bij Wilde, een koffie op Montmartre en een selfie bij Morrison. Weinig inspanning voor veel resultaat. Andere plaatsen worden gereduceerd tot non-lieuxs. Op Père-Lachaise letterlijk: niet-geromantiseerde graven staan in de weg of dienen als stoelen voor het publiek.

We zien ze over heel de stad, toeristen die metrohaltes afschuimen tussen vacuümgetrokken toeristische plekjes, die huiswaarts keren met honderden foto’s maar zonder nieuwe kennissen die niet uit waren op hun zakgeld. Ze botsen tegen venters die paraplu’s en eiffeltorens verkopen, tegen andere toeristen, maar het echte Parijs waar nog eens iets gebeurt dat niet ingestudeerd is, niet gecontroleerd is, nog niet eens ontdekt is, laten ze links liggen. Rond deze toeristische stroom gaat het gewone leven zijn gangetje. Van de metro tot aan het beroemde kerkhof troepen nog enkele straatverkopers en hippe winkels samen, rondom Père-Lachaise liggen vooral triestige straten met dichtgetimmerde winkelpuien en kapotte ramen. Tussen enkele tweede- en derdehandswinkels en obscure kapperszaken vinden we goedbewaarde geheimen die zelfs op Tripadvisor geen vermelding krijgen. Cafés waar ze bij het horen van een andere taal kijken alsof je elk moment een beroerte kan krijgen en ze je met een tussentaaltje ergens in een hoekje duwen, winkels waarvan de uitbater op de stoep zijn koffie afwisselt met smeulende sigaren en wilde verhalen. Wanneer de toerist zijn schizofrenie en straatvrees overwint dan vindt hij plekken die er verdacht uitzien, maar waar men wel lekker kan eten zonder teveel te betalen, nog eens iets kan bijleren of gewoon zonder wachtrij een pint en een krant kan krijgen. Hier voelt men het hart kloppen van het echte Parijs en niet dat van het toeristische Parijs dat kunstmatig in leven wordt gehouden door duizenden toeristen. Alleen wanneer ik in deze stad hopeloos verdwaald was, op plekken waar Parijs haar controle verliest, ontdekte ik opmerkelijke zaken. Steeds minder mensen verdwalen.

Men zou zich niet moeten ergeren aan massatoeristen en hun collectieve voorkeur. Alleen maken ze het anderen moeilijk om ze niet op te merken. Ze gaan namelijk gebukt onder een toenemend gebrek aan respect voor anderen en hun omgeving. Men wil wel zoveel mogelijk toeristen naar Père-Lachaise lokken, maar moet dranghekken en glazen schermen plaatsen om die massa op afstand te houden. De iPod luid opzetten bij het graf van Edith Piaf, mensen wegdrummen en planten vertrappelen rond Morrison, over grafzerken lopen om tot bij Modigliani te raken, het graf van Wilde bevuilen. Normaal is grafschennis een misdrijf, maar voor toeristen wil men blijkbaar een oogje dichtknijpen.

Het ligt natuurlijk in de aard van het beestje, de smartphonegeneratie heeft weinig geduld en kan zijn aandacht niet langer dan tien minuten ergens op richten. Het moet niet al te lastig worden. Maar toerisme zou educatie kunnen zijn, wanneer men de boulevard naar de Mona Lisa sloopt, de toeristische kaartjes verbrandt en de borden op Cimetière du Père-Lachaise afbreekt. Alleen dan kunnen toeristen opnieuw zoeken, ontdekken en flaneren. Alleen dan ontstaat een interessante smeltkroes van inwoners en bezoekers. Alleen dan vervalt de scheiding tussen een echt en een kunstmatig Parijs.

Een gevoel van medeleven voor de man onder de boom met het jointje. De wilde muziek, drugs- en seksfeestjes die er vroeger plaatsvonden zal hij niet langer vinden in de mensenzee die nu samentroept voor het graf van Morrison. Zijn bewegingloze houding is dan ook een rebellie, een stille opstand tegen de nivellerende golven waarop miljoenen onbenullige toeristen varen. 'Meer seks, drugs en rock & roll, minder selfies!', fluistert hij.

 


foto Jürgen © Marianne Hommersom

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Jürgen schreven in Parijs? Klik hier.

Jürgen schreef in Parijs ook het artikel Schoonheid met een prijskaartje.

Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.


Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.