Lessen van gisteren voor de wereld van vandaag

Geschreven door Rik Coolsaet op 8 november 2010

Dinsdag hield Rik Coolsaet naar aanleiding van het toneelstuk Aleksej van Frank Adam een lezing in HETPALEIS over de mechanismen die aan de basis liggen van de wereldpolitiek. De hoofdpunten van deze lezing leest u in zijn essay met lessen van gisteren voor de wereld van vandaag.

Misschien waarde Peter de Grote’s geest in Deauville rond toen eerder deze maand de Franse president en de Duitse kanselier hun Russische collega ontvingen. Het schouwspel zal de geest van de Russische tsaar vertrouwd, maar tezelfdertijd ook vreemd hebben geleken. Deze ontmoeting is grotendeels aan de aandacht van onze media ontsnapt, en toch was ze best belangrijk, misschien zelfs heel belangrijk. De drie staatshoofden waren immers bij elkaar om te praten over de plaats van Rusland in Europa.

Dat moet de eindzeventiende-eeuwse Russische tsaar een buitengewoon vreemde gedachte hebben geleken. Hoorde Rusland dan niet tot Europa? In zijn dagen twijfelde daar niemand aan. Hij trok samen met zijn Europese collega’s ten strijde tegen de Ottomanen (dezer dagen zouden we zeggen: tegen de islam), maar zijn leger streed bijwijlen met evenveel overtuiging tegen die van de Europese vorsten  – zoals ze allemaal deden. Peter maakte Moskovië groot en daarmee meteen ook een pijler van het Concert der Groten, dat Europa (en een flink stuk daar rond) bestierde. Onder zijn bewind orchestreerde de staat de economische opstanding van het land en verweefde hij de Russische handel met de Europese markten. Het land werd groot, mede door de inbreng van de vele buitenlandse experts (naar verluidt overwoog Peter zelfs even om van het Nederlands de officiële taal van zijn keizerrijk te maken) en door de harde hand van de staat.

In Deauville stonden vele van deze punten opnieuw op de agenda. De Russische staat heeft de economische wederopstanding van het land gedirigeerd en het zo opnieuw in de selecte club der grootmachten binnengeleid. Door middel van zijn energieleveranties is Rusland opnieuw verweven in het economische weefsel van Europa. De financiële crisis gaf de Russische economie weliswaar een knik, maar die is intussen hersteld, met groeicijfers die het veelvoud zijn van die van de westerse industrielanden. De crisis heeft er zelfs toe geleid dat de Russische staat zijn controle over de economie nog verder versterkt heeft.

Wie economische macht vergaart, wil onvermijdelijk politieke invloed uitoefenen. De renaissance van de Russische geopolitieke ambities – van Kazakstan en Tadzjikistan over Oekraïne en Georgië tot de Baltische staten – weerspiegelt de dominante mening in het Kremlin dat Rusland het recht heeft om vanaf de eretribune de grote staten mee te bepalen wat zich op ons gedeelde continent afspeelt. Precies dat maakte het voor de Franse president en de Duitse kanselier zo hoogdringend om Ruslands plaats in de Europese veiligheidsarchitectuur vast te pinnen en zo ietwat bij te kunnen sturen en wat meer voorspelbaar te maken.

Echte afspraken zijn er in Deauville niet gemaakt. Maar het symbolische belang van de ontmoeting spreekt voor zich. In de Normandische badplaats is Rusland teruggekeerd naar het hart van de Europese machtspolitiek. De geschiedenis is daarmee helemaal terug – in tegenstelling tot een ongelukkige uitspraak van een Amerikaans waarnemer, anderhalf decennium geleden, dat samen met het eind van de Koude Oorlog ook aan de geschiedenis een einde was gekomen.

Voor zover de geschiedenis onze gids kan zijn, gaan we opnieuw woelige tijden tegemoet. In de komende decennia zullen grote mogendheden, net als weleer en ook in Europa, opnieuw in een competitief spel verwikkeld zitten om leiderschap, macht en invloed. Grootmachten zullen elkaar jaloers en wantrouwig in de gaten houden, angstvallig ervoor wakend dat concurrenten geen voordelen oogsten van een moment van onoplettendheid. Daardoor zal de wereldpolitiek voortdurend in beweging zijn, gevoed door steeds wijzigende machtsverhoudingen tussen grootmachten, op het ritme van hun economische, militaire en politieke evolutie. Zij zullen afwisselend met elkaar samenwerken als hun belangen hen in dezelfde richting duwen, maar dan weer met elkaar botsen als tegengestelde belangen hen van elkaar wegduwen. Alle staten zullen hier de gevolgen van voelen. Hoe kleiner, hoe meer een staat de wisselvalligheden van dit machtsspel zal moeten verduren.

Zulk een wereldorde is inherent instabiel en crisisgevoelig. Zij bezit immers een ingebouwde neiging om in periodes van snel opeenvolgende crises een neerwaartse spiraal op gang te brengen, zoals helaas bleek in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog.

Maar toch hoeft de horizon niet per se donker te kleuren. Het verleden toont immers ook hoe zulk een onzekere internationale omgeving, ¬ondanks haar ingebakken onvoorspelbaarheid, toch soms lange periodes kent van stabiliteit en vrede onder grootmachten. De oorzaak hiervan was steeds dezelfde: er zijn momenten dat de grote mogendheden beseffen dat ze elkaar nodig hebben om vitale doelstellingen te realiseren. Als grootmachten een gemeenschappelijke doelstelling delen, dan wordt de ingebouwde wispelturigheid van hun onderlinge relaties gekanaliseerd in een soort ‘sociaal contract’. Als dat gedeelde perspectief bovendien aantrekkelijk is voor de overige staten, dan aanvaarden deze laatste des te gemakkelijker de leidersrol van de grote mogendheden.

Nadat Barack Obama begin 2009 president was geworden, leek het tijdperk van internationale samenwerking aangebroken. Het zag er zelfs naar uit dat ze elkaar in een nieuw sociaal contract zouden vinden, dat ook voor de kleinere staten aantrekkelijk was. Verbroken relaties met Rusland en China werden hersteld. De financiële crisis dwong de grote mogendheden tot samenwerking. De opwarming van de aarde en de transitie naar een postfossiele economie leek de meeste onder hen – van de EU over de Verenigde Staten tot China – tot een gezamenlijke strategie te inspireren. Is dat moment voorbij? Een valutaoorlog is in de maak. Competitieve devaluaties, net zoals na de krach van 1929 (herhaalt de geschiedenis zich?) doemen opnieuw op. Leefmilieu en broeikaseffect lijken de grootmachten minder bezig te houden. De Millenniumdoelstellingen hebben hun drive verloren. Heeft competitie in de wereldpolitiek het gehaald op samenwerking?

Een sociaal contract tussen grote mogendheden is nooit in steen gebeiteld. Het garandeert ook niet dat er tussen hen geen conflicten, spanningen en tegenstellingen meer opduiken. Die zullen er altijd zijn. Vergelijk het met twee personen die aan elkaar gehecht zijn. Allebei wensen ze een langdurige relatie. Maar in een relatie deelt men lief en leed. Soms gaat het goed, soms wordt er ruzie gemaakt. Wie ruzie maakt, maar ook aan de andere gehecht is, zal op een gegeven moment beseffen dat te ver te ver is. De andere blijven kwetsen en de zaken op de spits drijven, dreigt immers net datgene wat ze beiden wensen, in gevaar te brengen. Als ze elkaar liefhebben en dus bij elkaar willen blijven, dan zullen ze allebei op een gegeven moment rekening beginnen houden met elkaars standpunt en gevoelens. Maar ontbreekt dat gezamenlijke doel, dan staat er geen rem op hun wederzijdse verwijten en zal de ene niet willen onderdoen voor de andere – tot het bittere eind. Een onenigheid teveel, is dan de aanleiding om een punt te zetten achter hun liefdesverhouding.

Vervang liefde door belangen en zo weet u meteen hoe de wereldpolitiek werkt.