Les enfants de Paris

Geschreven door Roos Menkhorst op 19 februari 2013

deBuren stuurt in de zomer van 2013 jonge schrijvers naar de wereldstad Parijs. Lees hier meer over deze unieke residentie in het Huis Biermans-Lapôtre. Deze week presenteren we een opmerkelijk tweeluik over jonge kunstenaars in Parijs, geschreven op basis van de residenties in 2012. Roos Menkhorst sprak met freelancers en rijkeluiskinderen, Susanne Bartels dook in de postkraakscene.

Parijs was eens de hotspot van Europa. Het was de plek waar kunstenaars, schrijvers en andere vrije vogels zich thuis voelden en elkaar ontmoetten. Nu worden er ‘Artist studio’s’ voor een miljoen euro aangeboden: ‘Berlijn is veel interessanter.’

‘Parijs zit vast. Het is saai, te compact: Er is geen ruimte voor verandering,’ zegt Matthieu Buge (28), hij is scenarioschrijver en tekenaar. Samen met onze gezamenlijke vriendin Laure Frémicourt (27) zitten we in een café aan Canal St. Martin in de wijk Belleville. Ik ken Laure uit de tijd dat we beiden een jaar in Berlijn studeerden, dat is nu zeven jaar geleden. Buge is een vriend van Frémicourt. Hij heeft vannacht nauwelijks geslapen zegt hij. Met trillende handen neemt hij een slok van zijn witte wijn: Het is net uit met zijn vriendin. De jonge scenarioschrijver woonde samen in een studio in de wijk Belleville. Ze moeten nu allebei verhuizen, want alleen is het appartement niet te betalen. ‘Maar in Parijs is het onmogelijk voor een freelancer om een woning te vinden,’ zegt hij. Zijn moeder sms- te hem net dat hij wel weer tijdelijk bij hen kon wonen. Geen haar op zijn hoofd die daar aan denkt.

‘Paris je t’aime!’, schreef ik aan het begin van mijn verblijf op mijn Facebookpagina. Daaronder plaatste ik een foto van mezelf met een stokbrood in mijn hand. De eerste dagen wandel ik urenlang door de straten van Parijs. Ik struin, flaneer en observeer. In Rue de Montparnasse drink ik een hele dure espresso in het favoriete café van Simone de Beauvoir. Ik bezoek een binnenplaats in Montmattre; het is de plek waar Edith Piaf haar laatste optreden gaf. Dagenlang bevind ik mij in beelden uit het verleden.

 

Berlijn is beter


‘To have come on all this new world of writing, with time to read in a city like Paris where there was a way of living well and working, no matter how poor you were, was like having a great treasure given to you.’ Dit schrijft Ernest Hemingway in A Moveable Feast: Een verzameling van aantekeningen over zijn tijd in Parijs (1921-1926). Ik lees de zin op de stoep voor de bekende Engelstalige boekenwinkel Shakespeare & Company – recht tegenover de Notre Dame. In de jaren twintig leende Hemingway, uit geldgebrek, zijn boeken hier. Decennia later hangt er een foto van de schrijver vlak naast de ingang. Toeristen, studenten en expats bewegen zich in drommen door het schattige zaakje. Alles ademt nostalgie.

Na een week lang wegdromen bij het Parijs van vroeger besluit ik op zoek te gaan naar de kunstenaars en schrijvers die nu in Parijs leven. Zouden zij nog steeds inspiratie en creativiteit vinden in de Frans hoofdstad? Ik vraag aan mijn Franse vriendin Laure Frémicourt of ze mij op weg wilt helpen. Zo kom ik in contact met Matthieu Buge. Hij is geboren in Parijs, in het vijfde arrondissement. Het liefst zou Buge al zijn tijd besteden aan het schrijven van scenario’s, maar dan zou hij te weinig verdienen. Zijn ouders geven hem nog iedere maand driehonderd euro, maar eigenlijk wil hij hun geld niet. Hij werkt als freelancer voor CanalPlus, voor hen beoordeelt hij scripts. Daarnaast werkt hij al jaren aan een scenario over een jongen die in een kooi opgroeit. Hij heeft inmiddels een producer gevonden die interesse heeft. Maar geld zal hij er niet mee verdienen.

Buge vindt het belachelijk dat een croque monsieur in Parijs soms negen euro kost. ‘Parijs trekt zoveel toeristen ieder jaar, maar voor jonge mensen – juist de mensen die je vast wilt houden – is de stad niet meer interessant.’ Gebeurt er niet ongelofelijk veel in Parijs als het gaat om kunst en cultuur? Buge: ‘Parijs heeft talloze bioscopen en theaters, maar als ik zeg dat het stilstaat, bedoel ik dat je de stad niet meer echt ziet veranderen. Berlijn is in beweging; er is ruimte en er zijn nauwelijks regels. Als je voor weinig geld een tentoonstelling wilt organiseren kan dat. En iedereen gaat daar vervolgens naartoe Hier verandert er wel eens een café van eigenaar; maar ook dan blijft het een rip off.’ Hij is niet te houden: ‘Securité, dat is een woord dat ik in Parijs overal vind. De meeste van mijn vrienden hebben een baan. Ze kiezen voor zekerheid. Ik begrijp dat ook wel, je kan hier haast niet anders. Maar ik word er niet gelukkig van. Als je hier iets wilt betekenen in de creatieve sector heb je connecties nodig of je moet uit een rijk gezin komen. En vaak gaat dat samen.’

Laure Frémicourt knikt. Ze werkt zelf bij een reclamebureau. Ze bedenkt campagnes voor verschillende bedrijven. Vorige week ging ze langs bij een honden- en kattenvoerbedrijf om hen een social media campagne te presenteren. Ze houdt niet eens van huisdieren, lacht ze. Parijs vindt ze bourgeois. ‘Berlijn is veel interessanter.’ Ze vervolgt: ‘In Parijs zit de woningmarkt op slot. Zelfs als je een goed inkomen hebt is er geen beginnen aan.’ Laure betaalt achthonderd euro per maand voor een kamer van 25 vierkante meter. ‘De verhuurders hebben de macht om allerlei idiote regels te verzinnen. Zo moet je aantonen dat je drie keer zoveel verdient als de huur die je gaat betalen. Je ouders moeten garant staan – maakt niet uit hoe oud je bent. En er zijn zelfs regels voor het aantal vierkante meters dat je mag huren. Vanzelfsprekend fraudeert iedereen dus naar dat het een hartenlust is’, besluit ze. Buge vult aan: ‘Voor een freelancer is het in deze tijd zonder fraude onmogelijk om een huis binnen de ring te vinden.’

 

Paris I Love You but You’re Bringing Me Down


Op een van mijn wandelingen door Montmattre sta ik stil bij een makelaarskantoor. In het raam hangen advertenties voor woningen. ‘Artist studio: 1 miljoen euro’, lees ik. Ik moet bijna lachen: welke kunstenaar – behalve dan de meest succesvolle en gevestigde – kan dit betalen? De Amerikaanse schrijver Rosecrans Baldwin volgde in 2007 het voorbeeld van Hemingway. Als puber bezocht Baldwin Parijs met zijn ouders, hij viel als een blok voor de stad. Wanneer hij de kans krijgt om in de Franse hoofdstad te werken voor een reclamebureau aarzelt hij geen moment: Samen met zijn vriendin verhuist hij naar de lichtstad. Voor dag en dauw staat hij op om aan zijn roman te werken, om negen uur ’s ochtends vertrekt hij naar zijn werk aan de Champs-Élysées. Daar bedenkt hij campagnestrategieën voor een bedrijf dat luiers produceert. Zijn vriendin moet na een paar maanden ophouden met haar Franse lessen. Er is geen geld meer. Ook hij raakt steeds gefrustreerder: ‘Everyone knew Paris was where artists moved to pursue art. But I was only writing in stiches, having journeyd to Paris to pursue ad sales,’ schrijft hij later in zijn boek met de veelzeggende titel: Paris I Love You but You’re Bringing Me Down. Na anderhalf jaar keren de twee, een illusie armer, terug naar de Verenigde Staten.

In café La Cagnotte in Rue de Belleville begint Matthieu Buge om negen uur ‘s ochtends zijn werkdag. Hij schuift zijn laptop open en bestelt een espresso. Plekken om in Parijs goedkoop kantoorruimte te huren zijn er niet. Dus werkt hij thuis of in een café. In La Cagnotte komen meer freelancers. Hij stelt mij voor aan de Franse actrice Anne Kreis (63). Zij werkt al haar hele leven als freelancer. Ze had het geluk dat ze aan het begin van haar carrière een statut kon krijgen, dat geeft haar hoe dan ook recht op een bepaald bedrag per maand, ook als ze geen werk heeft. Daarbij heeft ze door het statuut recht op een pensioen en een arbeidsongeschiktheidsverzekering. In deze tijd is het niet meer zo eenvoudig om een statut te krijgen, vertellen een aantal andere freelancers die ook zijn aangeschoven. Behalve Kreis heeft niemand in het café er verder één.

Anne Kreis: ‘Sinds 1985 werk ik als actrice. Het was destijds al lastig om een huis te krijgen – ik liet standaard valse papieren zien – maar voor jonge mensen is het nu echt niet meer te doen. Mijn dochter van 25 is pas naar New York verhuisd, daar is het leven ook duur, maar je kunt tenminste nog een woning vinden.’ Na de geboorte van haar dochter begint Anne Kreis met vertaalopdrachten. Ze vertaalt uit het Russisch en uit het Duits. Kreis werkt vanuit haar woning in Belleville. Sinds een paar jaar verhuurt ze haar extra kamer onder: ‘Dit doe ik om de huur van mijn appartement te kunnen betalen.’ Belleville is de wijk in Parijs waar nog kunstenaars en andere vrije geesten wonen, vertellen de freelancers mij. Maar veel zijn het er niet: De meeste kunstenaars hebben een betaalbare studio buiten de ring gezocht, of  ze zijn naar een andere stad verhuisd. In de multiculturele wijk Belleville is het nog enigszins te betalen, al zijn de prijzen inmiddels behoorlijk gestegen. Kreis woont er al 35 jaar: ‘Het was een echte volksbuurt, maar dat verandert snel. Er komen nu ook steeds meer kinderen van rijke ouders die in het vijfde wonen,’ ze wijst naar Matthieu. ‘Maar hij is een goede hoor.’

 

Paris syndrome


Fotograaf Ben (40) hangt al aan de bar met een biertje. Hij woonde eerder in Marseille, Nantes en Bordeaux. Veertien jaar geleden kwam hij naar Parijs omdat het ‘toch geldt als de enige plek in Frankrijk waar er iets gebeurt’, zegt hij. Ben had niks toen hij aankwam. De eerste maanden woonde hij in een Afrikaans kraakpand. Na een jaar begonnen de opdrachten te lopen. Als fotograaf heeft hij gewerkt voor onder meer Louis Vuitton, en voor verschillende muziektijdschriften. ‘Kijk, zegt hij terwijl hij een foto op zijn telefoon laat zien. De zusjes van de band Coco Rosie heb ik gefotografeerd. Ken je die?’ Ben heeft geen statuut. De laatste drie jaar heeft hij steeds minder werk als fotograaf. Om geld te verdienen werkte hij een tijd achter de bar in La Cagnotte, en het afgelopen jaar werkte hij bij de slager om de hoek. Hij moet wel, want hij heeft net een kind gekregen: ‘Anders was ik wel weer in een kraakpand gaan wonen, maar dat kan nu niet.’

Anne Kreis stelt mij voor aan Matthieu Durget (33). Hij is grafisch ontwerper en geboren Parijzenaar. Deze zomer is hij kort terug in zijn stad: ‘Ik ben naar Berlijn gegaan, daar woon ik nu sinds een jaar.’ Zeven jaar lang probeerde hij het als grafisch vormgever in Parijs. Het kwam maar niet van de grond: ‘Op een gegeven moment ben ik in vaste dienst gegaan bij een website waar mensen hun spullen te koop kunnen aanbieden. Ik deed daar de vormgeving.’ Al snel zag hij in dat dit niet het werk was dat hij wilde doen: ‘Ik vond het verschrikkelijk. Ik wil graag mijn eigen plannen kunnen uitwerken, daar was helemaal geen ruimte meer voor.’ In korte tijd heeft hij in Berlijn bereikt wat hem in die zeven jaar in Parijs niet lukte: ‘Ik heb veel opdrachten. Daarbij is Berlijn echt goedkoop; je kunt veel makkelijker een goed leven leiden dan hier.’

In de korte tijd dat ik het leven van een aantal freelancers volg valt Parijs stukje bij beetje van haar voetstuk. Toch blijft de romantiek van de stad avond na avond indruk maken. De film Midnight in Paris van Woody Allen maakt het verlangen naar het Parijs van vroeger zichtbaar. Personage Gil Pender is een succesvol, maar gefrustreerd scenarioschrijver. Samen met zijn verloofde en haar ouders verblijft hij voor een korte vakantie in Parijs. Maar in plaats van de toerist uit te hangen trekt Gil zich terug in zijn eigen hoofd. Hij realiseert zich dat hij – tegen de wensen van zijn verloofde in – het liefste een roman zou schrijven. Op een avond verdwaalt Gil, hij is dronken, in de steegjes van Parijs. Om klokslag twaalf uur rijdt er een auto voor. De mensen in de wagen, allen gekleed in jaren twintig kleding, moedigen hem aan om in te stappen. En zo komt Gil terecht in cafés van de jaren twintig; hij ontmoet Ernest Hemingway en Gertrude Stein. Hij wordt verliefd op de minnares van Picasso. Na een kus van haar vindt hij zichzelf in het Belle Epoque en ontmoet hij Edgar Degas, Toulouse Lautrec en anderen. Avond na avond brengt Gil door in beelden uit het verleden. Zijn verwarring is compleet: Gil weet niet meer wie hij is en wat hij wil. Hij verbreekt zijn verloving en besluit in Parijs te blijven.

Dat het Parijs waar Gil Pender besluit te blijven niet het Parijs is uit zijn nachtelijke avonturen komt in de film indirect naar voren. Juist het gegeven dat het verlies niet benoemd wordt, maakt de sfeer van de film toch nostalgisch. En dat verklaart misschien ook wel het grote succes. Tijdens één van mijn zoektochten op het internet stuit ik op het Paris syndrome. Vooral jonge Japanse vrouwen blijken gevoelig te zijn voor de aandoening die samengaat met hallucinaties, achtervolgingswaan, duizeligheid en trillingen. In verschillende artikelen wordt als belangrijkste oorzaak teleurstelling genoemd: Het echte Parijs voldoet niet aan de verwachtingen. De foto’s die ze in hun thuisland van Parijs zagen, de zwart- wit films en de lieve Franse chansons komen niet overeen met de werkelijkheid.

 

'Mijn moeder betaalt goddank de huur.’


Kunstenaar en muzikant Siegfried De Turckheim (29) kan zich nauwelijks een betere stad voorstellen dan Parijs. ‘Als je verliefd wordt is Parijs nog steeds de beste plek op aarde. Hier arm in arm langs de Seine lopen; niets is toch romantischer? Het is net als in een film.’ We zitten in een café langs de Rue de Montparnasse. ‘Vroeger woonden hier tientallen kunstenaars en schrijvers, nu zit er geen een meer,’ zegt hij terwijl hij een slok neemt van zijn Cola. De Turckheim groeide op in Parijs, hij bezocht de prestigieuze L'École supérieure d'arts graphiques Penninghen. ‘Mijn ouders zijn ook naar die academie gegaan, ze hebben elkaar daar ontmoet. Het is een school voor rijke kinderen, zegt hij nuchter. Bekende schilders als Bonnard, Duchamps, Dubuffet en Mattisse hebben er ook ooit gezeten.’ Zijn voorbeelden zijn de klassieke kunstschilders. Zijn werk is naturalistisch. Hij heeft een studio in het dertiende arrondissement. Met een tuin, vertelt hij. Zijn muziekstudio ligt om de hoek. Als ik hem vraag hoe hij dat kan betalen, lacht hij: ‘Mijn moeder betaalt goddank de huur.’

Eén keer in zijn leven heeft De Turckheim een ‘gewone’ baan gehad: ‘Na mijn studie heb ik even gewerkt bij een filmbedrijf. Ik hield het er nog geen twee weken uit, zo saai vond ik het. Ik moest een storyboard omhoog houden, en dat was het. Iedere dag sloot ik mij minstens een half uur op in de toilet: ‘Zo weer twintig euro verdient,’ dacht ik dan.’ Nu werkt De Turckheim voor zichzelf, daarnaast doet hij – via de moeder van een goede vriendin van hem – de vormgeving van het blad Egoiste. Daar verdient hij genoeg mee om van te leven. Ook heeft hij een eigen band. Dat gaat heel goed; ze hebben net getekend bij Sony vertelt hij. Hij kan nu nog niet zonder het geld van zijn vormgeversbaan en zijn ouders, maar daar kan hij mee leven: ‘In Parijs moeten zelfs de meest artistieke mensen ernaast werken. Ik wil eerst carrière maken in de muziek, daarna wil ik mijn eerste boek uitbrengen en rond mijn veertigste wil ik een bekend schilder zijn.’

Laure lacht als ik vertel dat ik Siegfried De Turckheim heb gesproken. Zij had mij zijn naam doorgegeven, maar eigenlijk vindt ze hem maar verwaand: ‘Hij kan kunst maken, omdat hij het geluk heeft dat zijn ouders hem steunen. Kunst maken is in Parijs iets voor rijkeluiskinderen.’ We zitten op een terras in de buurt van haar appartement bij Place de la Bastille. Al haar avonden brengt ze door in cafés en restaurants. Haar huis is gewoonweg te klein om binnen te blijven.

Haar vriend Matthieu Buge belt, hij heeft nieuws. Weer heeft hij niet goed geslapen, vertelt hij als hij aan komt lopen. Dit keer omdat hij het plan heeft naar Amsterdam te verhuizen. De hele nacht heeft hij gezocht naar leuke buurten en huizen in Amsterdam. Voor achthonderd euro kun je in Amsterdam een hele etage huren, roept hij uit. Hij kijkt mij vragend aan. Ik knik. Laure rolt met haar ogen: ‘En wat voor werk ga je daar dan doen?’ Matthieu haalt zijn schouders op. Hij weet het niet, maar hij weet wel dat hij genoeg heeft van Parijs: ‘Ik denk er over om een appartement in Parijs te kopen. Dat kan ik dan onderverhuren.’ Laure kijkt Matthieu vol ongeloof aan. Hoe ga je dat betalen? Matthieu glimlacht. Dan vertelt hij over de spuuglelijke vaas van zijn opa. Die vaas – of eigenlijk soepkom – staat al zijn hele leven in de hal van het huis van zijn opa. Pas is de vaas getaxeerd, en nu blijkt dat hij van Louis de 15e is geweest, en dat hij acht ton waard is. Daarbij hebben zijn ouders bij zijn geboorte een flink bedrag voor hem opzij gezet. Laure rolt weer met haar ogen. Als Matthieu weg is vraag ik haar of zij denkt dat het waar is van die vaas. ‘Ja, dat denk ik wel. Matthieu is zelf bourgeois.’

 


Foto Roos Menkhorst © Marianne Hommersom

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Roos schreven in Parijs? Klik hier.


Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

 

Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.