Kazerne Dossin in Mechelen

Geschreven door Emy Koopman op 22 april 2014



deBuren stuurde twee jonge schrijfsters naar interessante musea over de grens. Hun opdracht? Vertel ons waarom je dit museum wel of niet moet bezoeken.
Emy Koopman
ging naar Vlaanderen, Julie Reniers bezocht Nederland.
Lees meer »


De marge om neen te zeggen

'Dit museum kan zichzelf geslaagd noemen als het de bezoeker een beklijvend inzicht meegeeft in het fenomeen van discriminatie en uitsluiting, in de kracht van de massa, in de handelingsmogelijkheden van de enkeling in de context van groepsagressie van welke vorm dan ook. De boodschap van Kazerne Dossin is dat, staande tegenover de agerende massa, je steeds op zoek moet gaan naar de marge om "neen" te zeggen.' Aldus Herman van Goethem, hoogleraar politieke en institutionele geschiedenis en curator van Kazerne Dossin, museum over de Holocaust en mensenrechten. Een museum met een missie dus.

© Christophe Ketels
Kazerne Dossin © Christophe Ketels

Zeventig jaar geleden verzamelden de nazi's op deze plek in Mechelen Belgische joden en zigeuners om af te voeren naar Auschwitz-Birkenau. Zij wachtten hier op de beestenwagons, dagen, weken of maanden. De Dossinkazerne verdiende er de bijnaam ‘wachtkamer van de dood' mee.

Een schuldige plek, zouden sommigen zeggen, een plek die wij moeten markeren opdat wij niet vergeten. Maar dat zijn woorden van nu. Het bezwaarlijke verleden van de oude kazerne verhinderde de gemeente niet om een groot gedeelte ervan in de jaren tachtig om te bouwen tot een appartementencomplex. Pas in 1995 werd de voorbouw van de kazerne geclaimd als een plek der herinnering, met de opening van het Joods Museum van Deportatie en Verzet. Dat museum voldeed duidelijk aan een behoefte: de kleine voorbouw kon al snel de toestroom aan bezoekers niet meer aan. In het najaar van 2012 opende het vernieuwde Kazerne Dossin.

Kinderfiets

De oude museumruimte, de voorbouw, is nu een ‘memoriaal': er staan vitrines met spulletjes van de mensen die hier ooit verbleven – postkaarten, een lappenpop, een zakdoekje met ‘denk aan mij' erop geborduurd. Beneden in de kelder spreken kubusvormige bankjes, met elk het nummer en de datum van een transport erop, namen uit, alle namen van de mensen die vertrokken.

In de kelder ontsnap je niet aan een gevoel van beklemming en onheil. Ik ben blij buiten de voormalige kazerne een roze kinderfietsje tegen de muur te zien staan dat nog gewoon gebruikt wordt door een kind dat niets van oorlog weet. Maar ik moet door met herinneren van dat wat ik ook niet ken. Door naar het kubusvormige hoofdgebouw van het museum, dat met haar ivoorwitte stenen associaties met het Midden-Oosten oproept. Israël, Jeruzalem. Ik was er nooit, maar zo zal het eruitzien.

© Christophe Ketels
© Christophe Ketels

‘Hoe is het zover kunnen komen?'

Bij binnenkomst in het hoofdgebouw staren duizenden mannen, vrouwen en kinderen me aan. Portretfoto's van de ongelukkigen die hier wachtten. 25.484 Joden, 352 zigeuners; ze bestrijken een verdiepingenhoge muur. Als je dichterbij gaat kijken zie je een enorme variatie aan mensen: mensen met hoedjes, met brillen, sjaaltjes, strikken, hoge kragen, sommigen breed lachend, anderen serieus, schalks, dromerig starend als een filmster of met een blik van lichte ergernis (in de jaren dertig en veertig waren de eisen voor paspoortfoto's klaarblijkelijk nog niet zo strikt). Alles wat ze gemeen hebben is een Joodse achtergrond.

Het is stil in de ruimte waar ik binnenkom, ook al wordt op andere muren een film geprojecteerd. Je hebt een audio-apparaat nodig om het geluid daarbij te horen. Als ik het apparaat heb aangezet grijpt de film me direct bij de lurven, door me te confronteren met iets wat iedereen kent: pesten. Pesten is niet onschuldig, is de stelling, die met pijnlijke beelden van getreiter onderschreven wordt. Bij pesten zien we op microniveau de eerste stappen van een genocide: de uitsluiting van iemand op basis van iets arbitrairs, de machtswellust van daders, de ambivalente houding van omstanders, de wanhoop van slachtoffers. Als een staat oproept tot het uitsluiten van een bepaalde groep en daar ook maatregelen voor treft is een volkerenmoord niet ver weg meer. De film stelt de vragen over de Holocaust waar velen mee zullen zitten en die het museum als geheel probeert te beantwoorden: ‘Hoe is het zover kunnen komen?', ‘Waarom de Joden?', ‘Was er geen verzet?'. Als eerste aanzet tot beantwoording van deze vragen trekt de geschiedenis van jodenhaat voorbij, van het idee dat Jezus door Joden vermoord zou zijn tot de mythe dat Joden de schuld waren van de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. Mensen zoeken een zondebok en als volk zonder land zijn Joden eeuwenlang het ideale bokje geweest – de vuile indringer die uitgestoten moet worden om een staat van reinheid te hervinden die nooit bestaan heeft. De gruwelijke uitkomst van die uitstoting wordt getoond met een serie foto's van massaexecuties en lijkenstapels.


© Christophe Ketels

De kleine verhalen

Aangrijpende foto's zie je op alledrie de verdiepingen van de vaste tentoonstelling van Kazerne Dossin. Verdieping 1: Massa. Verdieping 2: Angst. Verdieping 3: Dood. Op elke verdieping is een balans gezocht tussen het geven van historische feiten en het aanspreken van het gevoel. In het beste geval vallen die twee zaken samen. Dat gebeurt op de eerste verdieping vooral door de ‘vijf getuigen' die je kunt laten spreken door slimme schermen aan te raken. De vijf getuigen zijn vijf Joodse overlevenden met uiteenlopende verhalen, geïnterviewd in 2010-2011. Simon bijvoorbeeld, die overleefde door in de Dossinkazerne samen met andere kinderen te oefenen in ‘van de trein springen' en die oefening in het echt ook uit te voeren. Of Marie, die op een van de laatste transporten zat naar Auschwitz. Totdat haar gezin in 1944 verklikt werd, besefte Marie niet dat ze Joods was; ze leefden immers niet volgens joodse gebruiken en haar rebelse vader had het gezin ook niet ingeschreven in het Jodenregister.

Zo biedt Kazerne Dossin talloze verhalen en personaliseringen: dagboekfragmenten, audio-anekdotes, foto's van individuen met een korte achtergrondschets. Je ziet stralende jonge mensen met grote dromen – een mooi stel op het strand, een jochie op zijn bar mitswa, een lachende schoolklas – en leest dan wanneer en hoe zij tijdens de oorlog zijn overleden. Je wordt uitgenodigd zelf de foto's op de hoge muur langs te gaan, via de interactieve schermen kun je van elk portret opzoeken wie erachter schuilgaat.

Op de eerste verdieping valt een jongetje me op omdat hij een treffende gelijkenis vertoont met Kafka in zijn jonge jaren. Het kost relatief weinig moeite hem terug te vinden op het scherm, maar wil ik het wel weten, of hij ‘omgekomen' of ‘overlevende' is? Ik klik toch maar op zijn foto. Kleine Kafka blijkt Max te heten, Max Luchs. Hij was een ongeschoolde arbeider, geboren in 1920. Hij heeft de wachtkamer van de dood overleefd.

Het grotere verhaal

De persoonlijke verhalen zijn de grote troef van Kazerne Dossin. Er is alles aan gedaan om de persoonlijke geschiedenissen van de 25.484 Joden en 352 zigeuners te achterhalen zodat die getallen niet meer slechts getallen zijn. Er is ook alles aan gedaan om te laten zien hoe het dagelijks leven tijdens de oorlog was, voor ‘daders', voor ‘meelopers' en voor ‘slachtoffers'. Maar bij alle aandacht voor de kleine verhalen verliest Kazerne Dossin nooit het grotere verhaal uit het oog.

Dat grotere verhaal laat zich opsplitsen in een geschiedkundig verhaal en een sociologisch, of sociaal-psychologisch verhaal. De historische achtergrond van de Holocaust wordt niet overgeslagen omdat die genoegzaam bekend zou zijn. Zelfs als je het al weet, is het goed nog eens herhaald te zien dat, bijvoorbeeld, Hitler niet vanuit het niets kwam, dat hij zonder de beurskrach van 1929 wellicht nooit aan de macht was gekomen. Hitlers NSDAP bood geweld als medicijn voor een kapot land, compleet met xenofobie en stoottroepen. De NSDAP doet daarmee sterk denken aan de hedendaagse Gouden Dageraad in Griekenland. Zo kom je uit bij het sociologische verhaal: er zitten wetmatigheden in groepsgedrag. De poster van het Vlaams Belang waarop de Waalse premier van België Di Rupo staat afgebeeld als mug lijkt verdacht veel op een racistische strip uit 1934 die Joodse vluchtelingen voorstelt als een sprinkhanenplaag. De mislukte vluchtelingenconferentie van Evian in 1938 doet ook denken aan de hedendaagse situatie: geen land wilde eind jaren dertig nog Joodse vluchtelingen opnemen, zoals regeringsleiders nu schande spreken van verdrinkende bootvluchtelingen voor de kusten van Lampedusa zonder zelf een helpende hand te willen bieden. Kazerne Dossin maakt deze overeenkomst expliciet voor wie het verband zelf nog niet legde: ‘Het profiel van Joodse vreemdelingen in de jaren dertig lijkt op dat van immigranten en vluchtelingen vandaag de dag.' De boodschap is duidelijk: we dreigen steeds in dezelfde patronen te vervallen.

Wat te doen?
Wat kunnen we dan doen? Dat is een belangrijke vraag op de tweede verdieping, met het thema Angst. Je ziet en hoort hier zowel degenen die verlamd waren door angst, of die zich schikten naar bevelen in de hoop dat het dan mee zou vallen, als degenen die protesteerden. De Joodse Dora, die een brief aan de gemeente schreef omdat ze het een schande vond dat ze niet langer met haar kind in het park mocht komen (zij ontsnapte naar Argentinië). Of de Brusselse burgemeesters, die weigerden de Jodenster in te voeren. In de grote bak met ellende die over je wordt uitgestort (op verdieping drie, Dood, bereikt die ellende zijn dieptepunt) zijn zulke heldenverhalen onontbeerlijk. Ik weet het, alleen al het woord ‘held' riekt naar Disney of Spielberg, naar sprookjes, maar je moet moedige daden zien om te weten dat het mogelijk is: ‘neen' zeggen.

Okee, denk ik, de volgende keer dat ik zie dat iemand getreiterd wordt, of diegene nu Joods, moslim of een Chinese operazanger is, zal ik ingrijpen. Als ik me dat voorstel voel ik het al: de angst, de schroom. In hoeverre je zelf daadwerkelijk in staat zal zijn ‘neen' te zeggen blijft maar de vraag. Het is altijd fijner mee te gaan met de groep dan ertegenin, om niet de spelbreker te zijn, de humorloze. Maar wie weet, wie weet helpt het om in situaties van racisme of groepsgeweld te denken aan Dora in het park en aan Kafka in de wachtkamer van de dood.

 

 

Emy Koopman (1985) is afgestudeerd in de Literatuurwetenschap en Klinische Psychologie. Momenteel doet ze aan de Erasmus Universiteit promotieonderzoek naar lezersreacties. Daarnaast is ze eindredacteur bij 8weekly en redacteur bij hard//hoofd. Haar poëziedebuut verscheen in Het Liegend Konijn. Dankzij deBuren verbleef ze in de zomer van 2013 in Parijs en schreef daar over faam en vergankelijkheid. Vanwege de heropening van deBuren dichtte ze over het thema 'goede raad'.

 

!!! WIN !!!

deBuren mag 10 duotickets voor Kazerne Dossin en 10 catalogi cadeau geven!
Mail voor 1 mei 2014 'Kazerne Dossin' naar info@deburen.eu en maak kans op twee gratis tickets en een tegoedbon voor een catalogus. De catalogus kunt u bij uw bezoek aan de ticketbalie afhalen.

 

Kazerne Dossin, Goswin de Stassartstraat 153, 2800 Mechelen, België www.kazernedossin.be


Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.