Ik droom van een stad

Geschreven door Lies Van Gasse op 15 mei 2015

Lies van Gasse © Marianne Hommersom Lies Van Gasse droomt van Parijs. In een lang gedicht voert ze ons mee langs de rivier, langs een stad van karton, een kathedraal die op licht lijkt gebouwd, mensen als mieren, een stad waarin alles beweegt.

 

 

 

 

 

 

 

Ik droom van een stad
waarin alles beweegt,

waar schepen geen anker,
muren geen richting, waar

gras uit de lucht groeit
en niet uit de mond, waar

mensen inklappen en rollen
als tuig,

waar het kind op de tram
naar een borst staart
of zelfs naar een oog,

waar haar lokken, vet krullend,
groeien tot wier
dat de reizigers aankleeft en grijpt.

Op ons valt omgekeerde regen
die zich tot muren van water trekt.
Een hartslag brandt in elk gebouw.

Dromers liggen op keien te water,
bestijgen de lucht
en doen iets wat lijkt op de dood.

Met een zaklamp kijkt een man
in de mond van een vrouw.

Hij haalt daaruit een wezen
dat stilstaand, behoeftig
de rand van haar lichaam leest.

Je zet op de wereld
wat leeft, maar steeds zonder jou

een stroom wordt, zich vormt
tot weerbarstige bouwsels van taal.

Het is ochtend.

De stad klokt in drie tellen af,
opent zich als een vouw,
een tram rijdt strak bergopwaarts.

Bomen wuiven statig.
Ik droom een gesloten hand, een briefomslag.

De man aan de tafel opent de handen
en de mond. De mond is een toevlucht, een wapen.

Verder tikt het mes, galmt de kamer,
kruipen de schrijvers in dozen
en hij het vest in en uit.

In en uit het vest,
in en uit een woord,

in dansende tred,
de slapende hal,

het luide gedonder van trappen

en ballen stuiteren, in en uit
en op en naast, en voor en onder,
dansen op vloeibare schermen.

We weten niet
welk nieuws we willen horen,
welke waarheid ons misleidt,
We dragen ons lichaam als masker,

maar gaan toch een hoek om,
een heuvel op,
en kopen daar blikken vol taal.

Ik schrijf mij een stad
die mijn haren beweegt in het donker,

open de pot
waar mijn woorden zijn verborgen,

waar stille ontmoetingen,
kant aan kant,
stevig als strakke draden,

waar tussen de kamers
de muren kantelen

of dun zijn,
haast lichtdoorlatend.

Ik droom mij een andere stad.
De rivier ligt als een dikke arm
waarrond de auto’s rijden.

Boeken kruipen op stapels,
staan als vanzelf in bakken,
in afgeleefde vakjes,
in groene, stalen dozen.

Boven het water blinken de beelden,
sluiten de sloten, hangt de mast.

Een decor ontvouwt zich,
opent als een hand

waarin toneelspelers statig,
zangers zingen,
grijs op de gouden aftekening —

Ik droom van de stad
waar op elke hoek
een mens slaapt:

in portieken, vastgekoekt
aan natte grond,
op bankjes in het gras

of tussen spijlen,
op papier, in oude,
vergeelde doeken.

In de warmte gebeurt het
dat het lichaam open barst.
In de kilte wordt het steeds kleiner

tot, als een knop in de grond,
het uitkomt, vergroeit en vertakt.

Ik droom van een stad.
Ik droom van de wens in mijn hand

dat mensen, als mieren,
in keukens, op trappen,
torens gaan vormen, en bouwen.

Een staketsel vormt zich, van ledematen
die als steigers en bruggen oplichten.

Onder ligt de kaai
als een schaakbord, een spel,
de strijd om het ons bemeten heelal.

Iemand zingt en stuitert
maar wij lopen,
dun als een zwijgende wens,
doorzichtig de zon voorbij.

Wij wegen het spel op de handen.

Dan, als een omgekeerd anker, komt de kathedraal:
twee torens die lossen, het trekken van grond
en een kruispunt, met mensen als duiven.

Ik droom van een stad waar de wind niet meer waait.
Een vacht. De monding stijgt, wij eten rivieren op,
drinken gebouwen, spannen een luifel en zitten.

Een man met krullend haar
neemt een micro en spreekt.
Hij kraakt de blues van de stad.

Ik denk aan paaltjes met kleurige koppen,
rood en blauw op afgebeten grijs.

Dan, in het park,
ligt de stad onder ons.
Ver brandt zon op de huid,
de eiffeltoren trilt van de hitte.

In de tunnels word ik stad,
maar boven, met een hand op het oog
en stijgend als groene lichamen,

is tussen huid en licht geen grens.

We volgen een bal, die weer opduikt
in verschillend verglijdende vormen
en worden transparant.

De stad groeit in vele richtingen,
maar door een kruin van vleugels
wordt ze bedekt.

Dan droom ik een stad van karton:

drie wanden die ik omhoog heb gezet,
een rivier van plastiek, een onverwacht licht.
Ik schud haar en wiegel zachtjes.

Gekruld en azuur zweeft een vrouw op de kade,
met benen als twijgen. Ze ziet een doos in het water
en kruipt er in.

Het bad is vol. Kuddes zwemmen heen en weer,
gelijk met de rivier. Een man heft zijn vuist op,
een spoor van bloed waaiert langs lijnen uit.

Badmutsen komen op, gaan onder
als glanzende, stalen bollen.
Veelkleurig bedekken ze lichamen.

Bloed verspreidt zich langs de kanten.
Een voor een verlaat men het bad.

Iemand trekt zich op
met een rug als een muur.

Water kantelt in vlakken
die elkaar in evenwicht houden,

Kerend verdwijnt de draadijzeren toren,
een kathedraal die op licht lijkt gebouwd,
de tengere torsie van bruggen,

voor een ondiep bad,
een lichaam dat zich in de tippen strekt,
het klateren van benen.

Niet zoveel later drogen de kuddes
buiten op, met blikken
die over de lichamen gaan.

Nu gekleed, maar pulserend,
en hard, en zacht en warm,
en rozig als een omsluitende want.

Glitterend in mijn herinnering
staat een zwarte ster, een lichaam
dat elke richting uit slaat,

en kortgeknipt, en wild,
en donker op weg naar een droom
in deze stad, haast trillend,
de stad die haar sterren vervaagt.

Ik droom van een stad als zand,
ze warmt stilaan op
tot grond aan de voeten kleeft.

In de nacht houd ik een kind vast,
dat donzig naar me kijkt.
Mensen graaien en tasten.

Het spreekt tegen mij, een volle taal
die zich tegen de oren drukt als warme lucht,
mij door haar samenhang verbaast,

en wanneer wolken, treinen razen,
de dichtheid van de warmte drukt,

dan zegt het:

“je bent een scharnier
aan het begin van de zin.

Je hebt een heleboel te zeggen,
maar je moet het goed toedekken.”

Ik strek mijn hand
vol dikke gedachten,

hoog glijdende stemmen,
ijl in de koepel.

Ik lach, want de wind
is een grommend litteken.
Paarden meten de nacht.

Mensen roepen op straat
naar de bal die stuitert, het doel.

Koren bedekken daken
met onverwacht lawaai.

Ik droom van een zin die zich herhaalt, een
stem die in het luchtdek schalt, de muezzin die
tenger de massa overhaalt.

De as waarrond gespiegeld wordt,
zit meer dan eens te midden.

Voortdurend kijken wij
naar mannen,
de rand, achter tralies,
onder draad.

We lezen boeken in de zon,
kruipen een berg op, een gloed
van vroeg gevallen zon,

een met marmer bezette wake.

Iemand vindt een mes onder het theedoek.
Ademloos zitten we op een bank,
vergeten wie nog kijkt.

We hebben de handen los als touwen,
slapen warm, gloeien hevig op.

Een meisje loopt de berg op, lang en zwart
tot de waarheid van haar haren kletst.

Het drupt. Lang gras kan gevaarlijk zijn.

Twee mannen joggen in duikpak.
Buiten de tafel staat een glazen wand
met daar achter het leven.

Er roept een gebrek aan noodzaak.

Ik droom van een stad
waar het vriest in april
en dooit met kerst.

Aardplaten verschuiven.
Alles is vervangbaar,

ook de plek waar men valt, het vuurwerk,
de netjes wortelende bomen.

Mensen zetten hun voet in beton
en schieten af.

Een cirkelblad van messen
draait in mijn keel
en zoekt er naar de slokdarm.

Ik droom van een stad zonder u.
We hebben geplooide belangen.
Zonder u is er geen stad

en ik, een vergeten antwoord,
rond de toppen van uw dromen
met mijn dons.

Ik droom van een stad
die van mensen is gemaakt,
van parallelle lijnen die toch kruisen,

van het delen van de daktuin,
het plakken van lijven in zon,
banen in een zwembad,

van een vakwerk van kamers,
van bewegende scènes,
van de vrouw die een jas naait veraf.

van de lijnen die men naait in een huid,
van de jazz-zanger, zwart in het pak,
van rood en groene draken,

van het gedrum van toeristen,
een ijzeren raamwerk voor kraampjes,
van dozen vol goedkope platen,

van korte koffie,
opspattend zand in de regen,
gedeelde paraplu’s,

van de gevaren van onomkoopbaarheid,
van een gegidste tramrit in de banlieu,
aan het einde van een droom,

van een kale reis,
koket voyeurisme,
van Afrique 1 dans le taxi,

van nachten in kelders,
lavendeldrank,
van tunnels, kokers en trappen,

van de metro die sluit,
een stem die reizigers raapt,
in de gauwte verloren carnets,

van fluisterdichters,
een avond in een sluitende keuken,
verschaald bier, een onopgemaakt bed,

van plakkende, dansende lijven,
van een winkelkar, een stomend ritme,
een verdwaalde striptekenaar,

van regen die haast stroomt,
een dunne rivier van paraplu’s,
dekens waaronder wij dromen

van een ochtend boven een rookveld,
bakjes met fruit aan de metro,
van winkels, patronen op stoffen.

Drie tellen tikt de klok van de stad,
de tram, en vouwt zich in.

 

 

 


foto Lies © Marianne Hommersom

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Lies schreven in Parijs? Klik hier.

  • Lies droeg een fragment uit Ik droom van een stad voor tijdens Mais oui, Paris in de Brakke Grond, beluister hier de podcast.
  • In Parijs schreef en tekende Lies ook een graphic poem. Lees hier Een binnenplaats - Hôtel Dieu.


Dit gedicht werd gepubliceerd in
Het Liegend Konijn (2015-1). In datzelfde nummer leest u ook vier Parijsgedichten van Astrid Haerens, en nieuw werk van Flor Declercq en Bernke Klein Zandvoort, die eveneens afgelopen zomer deelnamen aan de schrijfresidentie van deBuren.


Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.


Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.