Gerda over Godfried

Geschreven door Gerda Dendooven op 3 december 2013

Op 10 december houdt Gerda Dendooven in HETPALEIS een lezing over Godfried Bomans. Ze zal het onder meer hebben over kinderen, die de wereld van onderaf bekijken. Hun fantasie, hun originaliteit, hun humor: allerlei eigenschappen die Bomans op latere leeftijd nog altijd bezat. ‘Kinderen hebben medelijden met beledigde broodjes en triestige bloemen, ze lusten geen erwtensoep met rimpels en zeggen “dag oma karton” tegen die ouwe doos over wie vader zich druk maakt.’


We zijn zo dubbelzinnig.

Wij zeggen tegen onze kindertjes: ‘Lees maar een uurtje, lezen is goed.’ Terwijl wij ondertussen naar de Laatste Show zitten te kijken op tv. We zwaaien met goede boeken waarover we in de krant gelezen hebben, want zelf boeken lezen, daar komen we tegenwoordig niet meer aan toe. Onze agenda zit te vol. Maar toch vinden we lezen zo ontzettend belangrijk. We hebben het vroeger zelf zoveel gedaan; zie maar naar het resultaat. Dus mogen we nu toch wel even in de zetel zitten zappen – zeker naar iets wat de zorgen uit ons hoofd schudt? We mogen toch wel even ongehinderd wegdromen bij een blauwe lucht en een zandstrand, bij de blonde babe van het telefoonspel, bij die idiote super-rambo op de dansvloer? We mogen ons toch wel een paar weekjes laten gijzelen in het Big Brother-huis of op het eiland uit Expeditie Robinson? We mogen toch wel enkele spannende televisie-uren beleven na een slopende dag?

We mogen alles, we mogen zelfs zeggen wat een ander niet mag. Al is het voor de redding van de buurman toch te laat.

Waarom vergeten wij zo snel hoe het was om kind te zijn, hoe we toen speelden en onze fantasie gebruikten? Hoe dol we waren op angst, wreedheid, grapjes en zoetigheid. Hoe we onze eigen regels verzonnen, op ontdekkingstocht gingen ondanks mopperende ouders en leraren. Hoe we troost vonden in verhalen, ze zelfs naspeelden. Hoe heerlijk spelen was. Hoe belangrijk spelen was.

Spelen is voor kinderen een overlevingsstrategie. Kinderen spelen altijd en overal, het gaat vanzelf, ook in de meest ellendige situaties. Ze doen het voortdurend. Ze spelen met slakken – zoals ik dat deed –, met stokjes, met wasknijpers en lakens en zelfs met taal. Ze zoeken de wc die verstopt zit, ze hebben medelijden met beledigde broodjes en triestige bloemen, ze lusten geen erwtensoep met rimpels en zeggen ‘dag oma karton’ tegen die ouwe doos over wie vader zich druk maakt.

Kindertaal is heel rechtlijnig en tegelijk zo avontuurlijk. De taal die kinderen gebruiken is vaak ongewild poëtisch omdat ze naar de essentie zoekt. Kinderen proberen via de taal hun verwondering te vangen en in glazen potjes te koesteren. Wij volwassenen spelen nog maar zelden, en onze taal
zit vol dubbelzinnigheden. Denk maar aan al die spannende chat-avonturen. Liefde langs de glasvezellijn. Plots wordt een avontuur een avontuurtje. Drie lettertjes, maar een wereld van verschil. In echte avonturen dolen leeuwen en tijgers rond, daar moet je dapper zijn. Wat trippelt er in uw avontuurtje zoal rond? Iets op hoge hakken? Iets met of zonder luipaardrokje? Hoeveel moed is er nodig voor een avontuurtje?

Volwassenen zien alles groot en gewichtig – behalve wanneer hun geweten gesust moet worden. Dan gebruiken ze verkleinwoorden om hun schuld klein te houden: het leugentje, het slippertje, het avontuurtje. Van die kleine niemendalletjes overgoten met lafheid. Volwassenen verkiezen avontuurtjes boven avonturen, want die kunnen ze makkelijker tussen hun dossiers schuiven, onder de muismat vegen, onopgemerkt wegklikken. Exotische slippers zijn cool aan de voeten, maar exotische slippertjes lijken wel scènes uit een slechtgemaakte B-film. En toch zijn dit de weinige spelletjes die volwassenen nog met overtuiging spelen. Want wij, volwassenen zijn vleesgeworden dubbelzinnigheden.

Ook Bomans was dubbelzinnig. Niet zozeer in zijn werk als wel in zijn privéleven. Keurig en koel, maar wel met een minnares. Trouw aan de ontrouw. Grappig en lichtvoetig, maar met een diepe grond. Al was niet iedereen daarvan overtuigd. Zeker zijn collega-schrijvers niet. Bomans werd op handen gedragen door het grote publiek; Nederland lag aan zijn voeten. De critici daarentegen vonden hem te licht, te speels, te grappig. Niet genoeg diepgang hebben. Toch heb ik – net zoals zovele Vlamingen – Bomans altijd gekoesterd.

Het begon met Erik. Erik die wegdroomde in een schilderij zoals ik in mijn behangpapier. Een hele wereld leefde tussen de struiken en de bomen op het schilderij. Het is onterecht dat Bomans te licht wordt bevonden. In Erik of het klein insectenboek is een maatschappijkritiek te lezen die treffend maar subtiel is, tongue in cheek, zoals Engelsen dat zo goed kunnen. Bomans was heel vertrouwd met de Engelse humor, hij hield van Dickens. Ik ook. Bomans was ijdel, … maar welke schrijver is dit niet. Bomans was geestig – vele schrijvers zijn dit niet. Hij bespeelde de media, toen nog ongewoon, nu bon ton. En ja, hij was óók hypocriet. Hij speelde de onhandige, verstrooide eenling terwijl hij bijzonder slim en gewiekst was, en dol op zijn publiek. Toch heb ik iets met Bomans, en wie bij de hond slaapt, krijgt zijn vlooien.

Zo was de titel van mijn laatste boek Wonderlijke Nachten. Ik noem het een hommage – anderen spreken over plagiaat – maar om elke verwarring met het gelijknamige boek van Bomans te vermijden, is het De Wondertuin geworden.

Over verbeelding, spelen, humor, wreedheid en angst zal het gaan. Over Bomans’ wrede sprookjes, over gelijkgestemde zielen, over Soepkinders, Krol, Tiny en Takkenkind. En over het koesteren van de kinderziel.