De vrouw met het masker

Geschreven door Baptiste Erpicum op 10 december 2014

Baptiste Erpicum © Marianne HommersomIn zijn tweede tekst over Parijs schrijft Baptiste Erpicum opnieuw over de jonge surrealistische kunstenares Tes, het hoofdpersonage uit Tes op de golf. Dit keer volgen we haar naar het Grand Palais voor het Salon des Indépendents.  'Hij liep naar mijn doeken toe, die ik achterin het atelier tegen de wand had gezet. Drie ervan konden zijn goedkeuring wegdragen.'


Vertaald uit het Frans door Kim Andringa.
Lees de originele Franse tekst hier.

 

Het laatste daglicht maakte plaats voor het donker. De conciërge sloot de deuren van de voormalige fabriek aan de Rue du Cherche-Midi. Cora en ik waren binnen gebleven. We kwamen uit onze schuilplaats tevoorschijn. We ontstaken kaarsen die de bevende schaduwen van de keramieken gietmallen op de muren projecteerden. We gingen zitten rond een rood-wit geblokt tafelkleed. We dronken chianti en sneden plakken mortadella af. Onze glazen raakten leeg tijdens een onsamenhangend gesprek over kunst, liefde en de dood. Door de hoge ramen van het gebouw zagen we de hemel met een paar sterren. Ik wilde die nacht mijn doeken aan Cora laten zien. We liepen de trap op die naar de schildersateliers leidde. Op de laatste trede wankelde ik. Cora duwde me vooruit. We vielen over elkaar heen. Cora kietelde me tussen mijn ribben.

- Zeg me wie de grootste surrealistische schilder aller tijden is. Je hebt maar recht op één antwoord …
- Jij! Cora Manuski!! riep ik uit, om me uit haar greep te bevrijden.
- Nee, sukkel! Dalí is de grootste!
- Als je bedoelt wie de meest gestoorde is … dan heb je gelijk, dan wint Dalí van jou … maar met een haarbreedte voorsprong …

Ik stikte zowat van het lachen. Ten slotte liet Cora me los. Ik leunde tegen de balustrade om op adem te komen. Cora ging het atelier binnen dat ik deelde met mijn leermeester. Ze kwam terug met een van mijn doeken, haar lievelingsschilderij. Ze boog zich over de reling om het te bekijken, en deed alsof ze het in het lege gat liet vallen.

-Hé … Ben je nou helemaal gek?! gilde ik. Dat is het resultaat van vier jaar werk!
- ‘Werk’?! Volgens mij is je succes je naar het hoofd gestegen. Je bent het spoor bijster geraakt door die uitnodiging voor de
Salon des Indépendants, Tessie. Wees nu eens voor één keer dapper, en laat je schilderijen wegvliegen. Ze zijn zo vrij als een vogel. Ze behoren niemand toe.

Cora Manuski zette het schilderij op de grond en vertrok zonder me nog een blik waardig te keuren. Ze ontsnapte door een raam dat open was blijven staan. Ik viel in slaap op een hoop vuile lappen.

Vroeg in de morgen begonnen de beeldhouwers de aardewerken mallen te breken die hun bronzen werken omsloten. Met hun hamerslagen bevrijdden ze ladekastjes in de vorm van een vrouw, blinde mannen, denkbeeldige dieren en nutteloze machines. Het lawaai van hun gereedschap weergalmde op de begane grond; klom langs de muren omhoog; en steeg op tot de gaanderij waaraan de schildersateliers lagen.

Ik werd wakker, en zag Jean Marembert gebogen staan over een schilderij van vier meter breed en twee meter hoog. Links onderaan het doek waren twee vrouwen afgebeeld, ze stonden rug tegen rug. Hun schaduwen rekten zich in de richting van de tegenoverliggende hoek. Ze vloeiden met elkaar samen over de gehele lengte van de diagonaal en vormden zo een primitieve totem, de duizendjarige voorstelling van een mythisch wezen, dier of plant. De dadaïstische schilder accentueerde de donkergekleurde stukken die de persoonlijkheid suggereerden. Hij bracht zwart aan op de ogen en neusgaten, maakte een brede mond in de holte van het masker, en zette de horens op de hoofdtooi sterker aan.

Jean Marembert kwam achter zijn ezel vandaan. Hij legde zijn penselen en zijn verfpalet neer op de stapel vuile lappen. Hij liep naar mijn doeken toe, die ik achterin het atelier tegen de wand had gezet. Drie ervan konden zijn goedkeuring wegdragen.

- Verpak ze zorgvuldig, en breng ze naar het Grand Palais.

Met mijn schilderijen onder mijn arm vertrok ik van de ateliers in de Rue du Cherche-Midi. Ik nam de Boulevard des Invalides, stak de esplanade over en bleef even staan op de Pont Alexandre-III. Het was warm. Ik herschikte het pak dat ik droeg, want het gleed uit mijn handen. Ik liep langs de zuilenrij aan de Avenue Winston Churchill en stapte naar binnen onder de centrale koepel van het Grand Palais. De zonnestralen vielen door het glazen dak. Hier en daar stonden wat mensen met elkaar te fluisteren. Ik liep de trap op naar de voor de Indépendants gereserveerde vleugel. De werken waren over verschillende verdiepingen verdeeld. De curator wees me een plaats toe op de laagste verdieping, bij de gevestigde kunstenaars. Ik hing dadelijk mijn schilderijen op, bang dat iemand me zou zeggen dat ze niet op de goede plek hingen. Maar men leek zich op geen enkel moment iets van mij aan te trekken. Ik maakte me vlug weer uit de voeten. Ik liep terug naar de centrale koepel. De metalen structuur van het dakgewelf wierp haar orbiculaire schaduw op de vloer. Ze tekende een spinnenweb op de lichte vloerstenen van de grote hal. Ik sprong van de ene lichtvlek naar de andere, als in een hinkelspel op leven en dood.

Op de kaden, aan de oevers van de Seine, kwam ik weer tot mezelf. Ik had nog wat tijd voor ik terug moest naar het Grand Palais om de opening van de Salon bij te wonen. Ik liep stroomopwaarts langs de rivier. Ik slenterde door de tuinen van de Tuilerieën. Op een bankje aan de rand van het achthoekige bassin ging ik zitten. Schoolkinderen lieten een miniatuur zeilbootje te water, dat afdreef naar het midden van de vijver en daar omsloeg. De kinderen overlegden hoe ze hun boot het beste terug konden krijgen. De kleinste van hen zette zijn pet af, trok zijn schoenen uit en stroopte zijn broek op. Hij waadde door het water, dat tot halverwege zijn bovenbenen kwam, en gilde dat een beest in zijn kuiten probeerde te bijten. De anderen droegen hem niettemin op om door te lopen. Hij versnelde zijn pas en spatte al zijn kleren nat. Toen hij eindelijk weer op het droge stond, het driemastertje in zijn armen geklemd, was hij van top tot teen doorweekt. Zijn vriendjes feliciteerden hem. Ze klopten hem op zijn rug. Hij schudde zich uit en spetterde hen lachend nat. Ze stoven uiteen.

Ik liep door, langs het middenpad, tussen twee rijen kastanjebomen. Voor ik bij het Louvre kwam sloeg ik rechtsaf. Op de linkeroever, van de Quai Voltaire tot de Rue du Bac droegen de mannen gestreepte pakken en de vrouwen mantelpakjes en hoge hakken. Hun stappen weerklonken op het plaveisel. Ze liepen van de ene kunstgalerie naar de andere. Ze wierpen een blik op de schilderijen. Ze zouden er best een in de woonkamer willen ophangen, op de schoorsteenmantel, of in de eetkamer, waarom ook niet. En dat beeld daar, ook niet onaardig. Ze zouden het tegenover de voordeur kunnen zetten. Natuurlijk hadden ze liever dat het door een bekende kunstenaar was gesigneerd, of anders door een die een goede kans maakte om dat te worden. U begrijpt, ze wilden een goede investering doen, waarmee ze hun vrienden konden overbluffen en hun kennissen verbazen. De galeriehouder verzekerde hen dat ze aan het goede adres waren. Ergens tussen al zijn schatten bevond zich het ene of het andere kunstwerk, uiterst chic, dat precies geschikt voor hen zou zijn. Ze zouden het er zeker mee eens zijn dat dit het meesterwerk was van een nog al te onbekend talent. Zeker, het kostte wat, maar met zo’n vraagprijs deden ze nog een zeer voordelige koop. Daar stond hij voor in. Hij garandeerde het naar eer en geweten. Als ze aan het eind van de onderhandeling tot overeenstemming waren gekomen, schudde de galeriehouder zijn klanten de hand. Als het verkoopbedrag dat rechtvaardigde, ontkurkte hij de champagne, om hun goede verstandhouding te vieren. En een enkele keer, hoewel nog vrij vaak, liet hij het rolgordijn voor zijn zaakje omlaag, sloot de rest van de dag zijn deuren, en nodigde al zijn collega’s uit om bij het café de Flore een glas te gaan drinken. Proost, dames en heren!

De Rue Guillaume Apollinaire kwam uit op een hoek van de Place Saint-Germain. Links zat een boekwinkel die La Hune heette. Ik duwde de deur open en snoof diep de aangename lucht van papier en drukinkt op. De begane grond was gewijd aan literatuur, poëzie en geesteswetenschappen. De eerste verdieping was gereserveerd voor architectuur en schone kunsten. De platenboeken lagen opgestapeld op massief houten tafels. Ze waren gerangschikt naar stijl en tijdperk. Ik bleef staan voor de publicaties over het impressionisme.

Zuivere kleuren in heel subtiele streken tooiden de omslag van een boek met de titel Plein air. Mijn oog stelde scherp. Ik zag een vrouw in een opwaaiende witte jurk, in een veld vol bloemen onder een brandende zon. Ik bladerde van achteren naar voren. Bij Édouard Manets Déjeuner sur l’herbe stond een kritiek van Émile Zola afgedrukt, geschreven in 1866.

‘We vinden hier noch de gipsen Cleopatra van Gérôme, noch de knappe roze en witte dames van Dubufe. We zien spijtig genoeg enkel alledaagse personages, aan wie te verwijten valt dat ze spieren en botten hebben, net als iedereen. Ik begrijp uw teleurstelling en uw spotlust als u voor dit doek staat; uw blik wilde geprikkeld worden door plaatjes zoals die op handschoenendoosjes staan.’

Drie jaar eerder had de jury van de Salon de peinture et de sculpture het doek van Manet geweigerd, net als drieduizend andere werken op een totaal van vijfduizend inzendingen. De selectie vond plaats op grond van de officiële goede smaak, waar de Academie van Schone Kunsten borg voor stond. Dit keurslijf liet een bittere nasmaak achter in de mond van kunstenaars die al enige tijd streefden naar een zekere moderniteit. Ze deden een poging de kunst te heroveren. Ze bevrijdden zich van de invloed van de welke jury dan ook. Vlak onder de neus van de bourgeoisie lanceerden ze de Salon des Refusés. Manet exposeerde er zijn Déjeuner sur l’herbe, een werk dat de oude zekerheden onderuit haalde en ongekende reacties opriep, om het vermoeden van een wereld die men niet meer wist te zien opnieuw in een scherp licht te zetten.

Lezend in de catalogus Plein air bedacht ik dat de impressionisten hun passie niet hadden laten varen. Ze leken op die kinderen die hun zeilbootje niet hadden opgegeven toen het zonk in de vijver in de Tuilerieën. En Manet was die ene die in het water sprong om het voorwerp van hun verlangen terug te krijgen. Hij bracht het terug op vaste grond, en hij bespatte de moderniteit met zijn genie.

Alle chique mensen, uit Parijs en de wijde omgeving, stroomden samen voor de opening van de Salon des Indépendants. Ze draaiden om elkaar heen zonder elkaar ooit aan te raken, als planeten in hun baan. Een wijnhandelaar, die witte handschoenen droeg, maakte zich los uit deze hemelloop. Hij volgde een nieuwe baan, die hem recht naar mijn schilderijen leidde. Hij hield stil voor een vrouw met een transparante sluier die haar blik vertroebelde. De woorden stroomden uit mijn mond.

- Onverstoorbare of vervaarlijke maskers, vriendelijke maskers, woedemaskers, godenmasker of heksenmasker, ontelbare maskers! De wereld van elk masker is fascinerend. Of het nu heilig is, feestelijk, om achter te lachen of te huilen, we dromen ervan een ander te zijn. Sinds mensenheugenis heeft de mens zich door maskers verbeeld of zich erachter verscholen, en voor de spiegel ontdekt hij een ander dan zichzelf. Ik ben een ander: wat een genot schuilt er in de vervulling van die droom van onze ziel. Het masker en de spiegel zijn een alternatieve waarheid, die wij verbergen, waar wij van dromen. De schilderkunst is nauw verbonden met deze waarheid van masker en spiegel. Zij onthult de verborgen of gedroomde kant van de wereld om ons heen. Ze is de wereld van de objectief gemaakte illusies.

De handelaar trok zijn witte handschoenen uit. Hij reikte me de hand, en ik stak op mijn beurt de mijne naar hem uit. De koop werd gesloten. Ik was de eerste kunstenaar die een schilderij verkocht op de 84e editie van de Salon des Indépendants. Later die avond zag ik Cora Manuski weer. We sloten vrede. Ik trakteerde haar op een coupe champagne, in de Closerie des Lilas. Het feest duurde tot diep in de nacht.

- Proost, dames en heren!

 

 


foto Baptiste © Marianne Hommersom

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Baptiste schreven in Parijs? Klik hier.


Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

Hoofdpersoon Tes ontmoetten we al in de andere tekst die Baptiste schreef over Parijs: Tes op de golf.

 

Gerelateerd

Archief

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.