Belgen hebben recht op meer Afghanistan

Geschreven door Gie Goris op 26 april 2011

Afghanistan is een verhaal dat we elkaar vertellen. Een vat vol tegenstrijdige clichés. Een internationaal strijdtoneel. Afghanistan is van alles wat, maar is het eigenlijk wel een land? En hoe ziet dat werkelijke land eruit?

© Brecht Goris
'Wie enkel door de voorruit van een Belgisch legervoertuig kijkt, ziet geen Afghanistan' © Brecht Goris

Bestemming Kaboel. Dat belooft een stap in een wereld die de voorbije tien jaar niet uit het nieuws geweest is. Toch geraakt niet iedereen die naar Kaboel vertrekt tot in Afghanistan. De Belgische militairen die in Melsbroek vertrekken richting Kaboel, bijvoorbeeld, komen in principe niet of nauwelijks buiten de hoge en dikke beschermingsmuren rond de militaire basis op de luchthaven van de Afghaanse hoofdstad. Al sinds 2003 verzorgen zij de veiligheid binnen de muren van die steeds uitdijende basis. Daarvoor moeten ze het land niet leren kennen, hoeven ze niet op de hoogte te zijn van de fijne nuances tussen Pasjtoense en Tadzjiekse gewoonten, en ze vragen zich misschien wel af welke religieuze waarden de nieuwe politie- of legerrekruten die ze opleiden aanhangen, maar dan enkel na de uren. Want de missie is niet antropologisch, maar strategisch: Kabul International Airport is cruciaal voor de oorlog die de meer dan veertig landen onder de International Security Assistance Force voeren, en dat is waarom de Belgische militairen hier zijn. Dat betekent geenszins dat de soldaten zich niets aantrekken van Afghanistan –integendeel. Het was deze week de vierde keer dat ik de Belgische militairen op KAIA bezocht en telkens ben ik onder de indruk van hun betrokkenheid.  Ze spenderen vier maanden op deze stoffige, saaie basis omdat ze er eerlijk van overtuigd zijn dat ze daarmee bijdragen aan de stabiliteit van het land, en dus aan de wederopbouw waarop zowat dertig miljoen Afghanen zitten wachten. Het probleem is niet de betrokkenheid van de militairen, het probleem is dat ze een land moeten dienen dat ze niet mogen leren kennen. En ze zijn niet alleen.

Ook de Europeanen die zich politiek, humanitiar of mensenrechtelijk bij Afghanistan betrokken voelen, schuilen jammer genoeg achter hoge, met steeds dezelfde beelden en vooroordelen gevulde beschermingswallen. Afghanistan is al sinds de jaren zestig een scherm waarop het Westen beurtelings zijn eigen droombeelden en angsten projecteert. Het land dat eerst een droomstop was op het pad van de hippies richting goeroe en goedkope wiet, zonk vanaf de jaren zeventig weg in de ideologische tegenstellingen van de Koude Oorlog. Wat eerst de ongepolijste authenticiteit van de Pasjtoenen was, veranderde in de loop van de decennia in de barbaarse achterlijkheid van religie en tribale gewoonten. Het is waar dat de realiteit van Afghanistan de voorbije decennia radicaal veranderd is, maar de veranderingen in onze beeldvorming over het land –en dus, belangrijker nog, ook onze omgang ermee- lopen niet noodzakelijk parallel met wat er in de werkelijkheid gebeurt. Vaak vertellen de nieuwe beelden meer over onze eigen behoeften en strategieën dan over de werkelijkheid.

In Kaboel verwoordde iemand het perfect: ‘Wat hier de voorbije jaren gebeurd is, wordt het best samengevat in de spanning tussen twee iconische beelden. Er is eerst The Afghan Girl, het vluchtelingenmeisje met de groene ogen dat in 1985 op de cover van National Geographic stond. Het tweede beeld is dat van Bibi Aisha, de jonge vrouw met de afgehakte neus, op de cover van Time Magazine vorig jaar. Leg die twee beelden naast elkaar en je hebt meteen het resultaat van al die jaren buitenlandse interventie in dit land. Afghanistan heeft een traject afgelegd dat uitmondt in een gebrutaliseerde cultuur, en daar is het Westen in grote mate mee verantwoordelijk voor.’
De meeste boeken, artikels of reportages die verschijnen over Afghanistan maken gebruik van een zeer beperkt arsenaal beelden. Grosso modo wordt gekozen tussen vrouwen onder een lichtblauwe boerka of mannen met baarden, kalasjnikovs en pakols –de typische Pasjtoense hoofddeksels. Daarmee is meteen de simpele polariteit aangegeven waarmee Afghanistan benaderd wordt: links bevindt zich het slachtofferland, rechts het krijgsherenland. Daar tussen strekt zich een woestijn van onzichtbaarheid uit. De vele tegenstrijdige waarheden en werkelijkheden die we voor onze eigen samenleving evident vinden, blijken in de beeldvorming over Afghanistan afwezig. Maar ook de 150.000 buitenlandse militairen, de tienduizenden privébewakers, de duizenden buitenlandse hulpverleners en diplomaten blijven op onverklaarbare wijze buiten beeld. Wij financieren zowat de hele Afghaanse overheidsbegroting, leiden leger en politie op en we bewapenen en financieren die nieuwe instellingen ook, we bouwen scholen, bepalen de politieke toekomst, kiezen een aanvaardbare president, beslissen waar en wanneer de opiumproductie een probleem is, houden de machtigste krijgsheren met heel veel geld aan de macht, kortom: met het enorme westerse bezettings- en controle-apparaat hebben we meer impact op het Afghanistan van 2011 dan alle opstandelingen samen.

Het feit dat het dagelijkse leven en de westerse bezetting niet tot het evidente, visuele referentiekader behoren als we het over Afghanistan hebben, heeft vele, maar weinig goede redenen. De meest evidente en praktische reden is dat de onveiligheid het heel moeilijk maakt om aan gewone verslaggeving te doen waar de meeste Afghanen leven en werken, in landelijk Afghanistan. Het gevolg daarvan is dat sommigen kiezen voor embedded werk, wat in principe onder propaganda valt en niet onder journalistiek werk. Embedded zorgt ook niet voor het zichtbaar maken van de bezetting, het biedt het westerse publiek uiteindelijk alleen de enge blik van de militaire beleidsmakers. Veel andere nieuwsmakers geraken net een cirkel verder dan de militairen op KAIA: zij bewegen zich in de gesloten kring van internationale contacten en hun Afghaanse klonen. Kaboel heeft niet echt een zichtbare Groene Zone, maar elke grote ngo, ambassade of VN-organisatie weet precies hoe ver de perimeter van de aanvaardbare mobiliteit gaat, en dat is echt zeer beperkt.

Veel fundamenteler dan de overwegingen over veiligheid en haalbaarheid, is de ideologische kortzichtigheid die ons allemaal treft en die daarom heel moeilijk te remediëren is. De Europese buitenlandpolitiek is in toenemende mate waardengedreven en daar gaat een heel grote conformiteitsdruk van uit. Iedereen wil immers gezien worden als verdediger van vrije meningsuiting, vrouwenrechten, mensenrechten, democratie en goed bestuur. Ik heb de indruk dat heel veel mensen elke twijfel daarover preventief willen wegnemen door vooraan in hun berichtgeving een herkenbaar signaal te plaatsen, een visuele baken die aangeeft dat de auteur tot de rechtvaardigen behoort. Van waar die behoefte? Wellicht voelen de meeste auteurs aan dat onze Waarden heel erg gaan rammelen als ze in de realiteit van hedendaags Afghanistan geschoven worden. En omdat het westerse denken alleen ruimte lijkt te hebben voor een bipolair kader, komen ze voor een verscheurende keuze te staan: ofwel houden ze vast aan ons eigen Grote Gelijk, ofwel erkennen ze dat onze begrippen betrekkelijk nutteloos zijn als we het leven van de Afghanen willen verbeteren –maar dan riskeren ze in de hoek van de relativisten gezet te worden, de slimmeriken die te laf zijn om onze Waarden te verdedigen.

Het gevolg is dat het Afghanistan uit het politieke discours, de berichtgeving en de folders van de meeste hulporganisaties in weinig gelijkt op het Afghanistan dat ik deze week ontmoet heb in de volksbuurten van Kaboel, de nieuw gebouwde wijken voor teruggekeerde vluchtelingen, de landelijke wijken rond Jalalabad. Maar ook in de Kaboelse loop zijn niet alle analyses even simpel als ze klinken eenmaal ze doorgeseind zijn naar het Europese thuisfront. In meer dan een kantoor wordt me gevraagd de ongemakkelijke waarheden op te schrijven zonder de naam van degene die ze uitspreekt. De beslissingen over geld en personeelsinzet worden immers in Brussel, Washington of andere westerse hoofdsteden gemaakt, en daar heeft men geen behoefte aan antropologie maar aan strategie. In een wereld waarin de Navo er steeds beter in lijkt te slagen om hulporganisaties ervan te overtuigen dat Defense en Development alleen maar werken als ze in dezelfde zin voorkomen, hoeft het dan ook niet te verwonderen dat de uniformiteit van verhalen groeit. Het Westen is in dat verhaal de Good Guy die kosten noch levens spaart om allerlei goeds te brengen naar het Verre Land dat verscheurd is tussen Slachtoffers en Bruten.
Het vraagt eigenlijk meer inspanning om binnen die nauwe lijnen van de dominante ideologie te blijven denken dan om geconfronteerd te worden met het uitgebreide spectrum aan nuances dat het leven hier biedt. Het kan zijn dat de minister van Defensie goede redenen heeft om eenzijdige en simplistische verhalen over Afghanistan te vertellen, de burgers hebben recht op meer.

Het journalistieke project van Gie Goris komt tot stand met steun van MO* en het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Het fotografieproject van Brecht Goris krijgt de steun van deBuren, de Beursschouwburg en de Warande (Turnhout).